Begeleidershouding

Uit FOSwiki
Ga naar: navigatie, zoeken


Deze pagina is een onderdeel van de pagina Leiden zonder lijden.

Positief omgaan met je scouts & gidsen[bewerken]

Om een goede band met je leden op te bouwen, is je eigen houding erg belangrijk. Je kan op verschillende manieren omgaan met je scouts & gidsen. Een goede leid(st)er ben je niet van de ene dag op de andere. Je leert het met vallen en opstaan en vooral door veel ervaring op te doen. Bovendien heeft elke leid(st)er een eigen stijl: streng of flexibel, meer afstandelijk of eerder open, uitbundig of rustig, eerder creatief of eerder verzorgend. Elke leid(st)er binnen je ploeg heeft zo zijn of haar eigen sterktes. Toch zijn er een aantal elementen die een goede begeleidershouding kenmerken:

Open Scouting[bewerken]

In een federatie die zichzelf “open” noemt, vinden we het belangrijk dat omgangsvormen getuigen van eerlijkheid en respect voor de andere persoon. We kiezen dan ook voor omgangsvormen die uitgaan van gelijkwaardigheid in de relatie, zodat iedereen zichzelf kan zijn en kan groeien.

Een positief zelfbeeld stimuleren[bewerken]

Kinderen groeien op en ontwikkelen een beeld van zichzelf. Dit zelfbeeld omvat zowel positieve als negatieve ideeën over zichzelf, wat heel bepalend is voor hun gevoelsleven en hun gedrag. Het is dan ook erg belangrijk dat kinderen en jongeren een positief beeld van zichzelf ontwikkelen. Dit beeld wordt bepaald door alle ervaringen die ze hebben, dus ook door de manier waarop je als leiding met hen omgaat. Je kan een positieve invloed hebben op het zelfbeeld van je leden door:

  • warmte naar hen uit te stralen;
  • hen het gevoel te geven dat ze heel erg welkom zijn en dat je het leuk vindt om met hen te werken en te spelen;
  • je in te leven in hun leefwereld, te luisteren naar hun verhalen en hen een enthousiast of troostend woordje te geven als dat nodig is;
  • hen te tonen dat je hen vertrouwt en dat ze heel wat in hun mars hebben;
  • hen aan te moedigen in hun sterke kanten en de nadruk te leggen op die aspecten van hun gedrag die je waardeert;
  • oog te hebben voor iedereen en ervoor te zorgen dat iedereen zich betrokken voelt.

Jezelf zijn[bewerken]

Binnen Open Scouting mag iedereen zichzelf zijn … en dat geldt ook voor jou! Je hebt je eigen persoonlijkheid, waarden en normen en die hoef je niet te verstoppen. Je hoeft als leiding geen rolletje te spelen. Als jij eerlijk en echt bent, weten je leden waar ze aan toe zijn. Anderzijds hebben ook je leden het recht om zichzelf te zijn. Wees je er dus van bewust dat jouw mening de jouwe is en dat iemand anders er een andere opinie op na kan houden. Probeer je mening en ideeën te delen zonder ze op te dringen.

Scouting da’s fun[bewerken]

Scouting is in de eerste plaats een enorm plezierige vrijetijdsbesteding! Je maakt het voor je leden nog plezanter met een creatief en origineel aanbod en door zelf enthousiast en actief deel te nemen aan de activiteiten. Probeer je leden structuur te bieden zonder hen daardoor af te remmen in hun enthousiasme.

Kritische & zelfstandige scouts & gidsen[bewerken]

Met scouting hebben we ook een doel voor ogen. We willen kinderen en jongeren helpen opgroeien tot kritische en zelfstandige scouts en gidsen. Het is dan ook belangrijk dat je hen – volgens leeftijd en kunnen – de verantwoordelijkheid geeft om dingen waar te maken en uit te proberen. Betrek hen – op maat van hun leeftijd – zoveel mogelijk bij beslissingen en stel je gelijkwaardig aan hen op. Je geeft het goede voorbeeld, komt je eigen engagementen na en houdt je aan de afspraken.

Het woord “begeleidershouding” zegt het zelf: het is de houding die je aanneemt bij het begeleiden van je leden. Probeer deze houding dan ook voortdurend aan te nemen, zowel in alledaagse situaties als in probleemsituaties.

Objectief waarnemen[bewerken]

Positief omgaan met kinderen heeft alles te maken met je reactie op het gedrag van kinderen en jongeren. En jouw reactie op hun gedrag wordt dan weer bepaald door de manier waarop je hun gedrag waarneemt.

Verschil tussen observeren, interpreteren & beoordelen[bewerken]

Je neemt voortdurend de werkelijkheid waar, ook tijdens de scoutsactiviteiten. Maar waarnemen is een veel ingewikkelder proces dan het op het eerste zicht lijkt. Een waarneming bestaat eigenlijk uit drie verschillende processen, namelijk observeren, interpreteren en beoordelen. Deze processen zijn vaak sterk verweven in je hoofd. Meestal besef je amper of je nu aan het observeren, interpreteren of beoordelen bent. Nochtans is er een belangrijk onderscheid tussen deze drie:

  • observeren: ik zie, ik hoor, ik ruik, ik tast, ik smaak
  • interpreteren: ik denk hierover, ik voel hierbij, ik besluit hieruit, …
  • beoordelen: dit is goed of slecht, juist of fout, normaal of abnormaal, gewoon of ongewoon, …

Uiteraard zal je reactie beïnvloed worden door de interpretatie en beoordeling die jij aan het gedrag van je leden koppelt.

Tabel observatie.png

Aangezien je waarneming zo’n grote invloed heeft op je reactie, is het goed om je ervan bewust te zijn wanneer je ‘puur’ observeert en wanneer je interpreteert en beoordeelt. Door een onderscheid te maken tussen wat je observeert en wat je daarbij denkt, krijg je een beter en betrouwbaarder zicht op de kinderen en op de situatie.

Filters in je hersenen[bewerken]

Je zintuigen en hersenen moeten voortdurend informatie opnemen en verwerken. Het gaat om zo’n grote hoeveelheden informatie dat ze er niet in slagen alle prikkels te verwerken. Je waarneming wordt dan ook op verschillende manieren gefilterd. Je hersenen zoeken allerlei manieren om observatie, interpretatie en beoordeling sneller en eenvoudiger te doen verlopen.

Selectie[bewerken]

Bewust of onbewust wordt er een selectie gemaakt in de prikkels die je wel en niet opneemt en verwerkt.

Referentiekader[bewerken]

Zelfs indien verschillende mensen hetzelfde observeren, zullen zij dit dikwijls op een verschillende manier interpreteren en beoordelen. Je maakt deze sprong op basis van jouw kijk op de wereld. Dit noemen we het referentiekader. Iedereen heeft een eigen uniek kader, een bril waardoor je naar de werkelijkheid kijkt. Deze bril wordt bepaald door een aantal elementen, zoals je kennis, vroegere ervaringen, je gevoelens, je stemming, je waarden, normen en overtuigingen, vooroordelen, je opleiding en dergelijke meer.

VOORBEELD

Je stemming op dat moment
Als je kwaad of verdrietig bent, zal je eerder denken dat Timon kwade bedoelingen heeft, dan wanneer je vrolijk en gelukkig rondloopt.

Je vroegere ervaringen
Wat je observeert zal je steeds toetsen aan je vroegere ervaringen. Als een van je leden bijvoorbeeld al eens eerder in de beek is gevallen, zal je sneller denken dat dit ook bij Timon het geval is.

Je opvoeding
Dingen die jij anders geleerd hebt, zullen je misschien meer opvallen of je zal ze eerder beoordelen als ‘fout’. Als je zelf steeds geleerd hebt dat het belangrijk is om stipt op tijd te komen, zal je je eerder ergeren aan leden en leiding die te laat komen.

Je waarden & normen
Iedereen heeft zijn eigen waarden en normen. Iets wat indruist tegen jouw waarden en normen zal je sneller opvallen, je zal dit anders interpreteren en beoordelen. De ene leider vindt een leugentje om bestwil wel kunnen, een andere leider vindt dit helemaal fout.

Dit referentiekader zal ervoor zorgen dat jij meer aandacht zal hebben voor bepaalde gedragingen of dat je bepaalde situaties eerder zal opmerken. Het zal je interpretatie en beoordeling van deze gedragingen en situaties ook sterk beïnvloeden.

De eerste indruk[bewerken]

Bovendien is dit een proces dat zichzelf versterkt. De eerste indruk die je je van iemand vormt, is vaak bepalend voor het beeld dat je daarna van die persoon hebt en verder opbouwt. De eerste indruk vormt een referentiepunt waarrond je alle verdere informatie probeert te groeperen. Al je latere interpretaties van iemands gedrag, zullen beïnvloed worden door het eerste beeld dat je je van die persoon gevormd hebben.

Halo- & Horneffect[bewerken]

Doorgaans probeer je ook een samenhangend beeld van iemand op te hangen. Als je een Aspirant leuk vindt, overschat je dikwijls ook al zijn talenten. Je vindt hem intelligenter, eerlijker, sportiever en handiger dan hij in werkelijkheid is. Dit noemen we het halo-effect. Het tegengestelde komt ook voor, namelijk het horneffect. Dit effect houdt in dat je op basis van een negatief kenmerk ook de rest van de persoon als negatief beoordeelt.

Mogelijke gevolgen[bewerken]

Indien je je niet bewust bent van het feit dat je gedrag interpreteert en beoordeelt op basis van je persoonlijk referentiekader, kan het gebeuren dat je je eigen waarheid als algemene waarheid aanziet. Je ziet dan over het hoofd dat jouw interpretatie en beoordeling grondig kunnen verschillen van de betekenis die het kind of de jongere aan de situatie geeft. Op langere termijn kan dit je band met je leden erg schaden, doordat:

  • je een negatieve invloed hebt op het zelfbeeld van het kind:

Steeds als Kaat opgaat in het spel en enthousiast roept naar de tegenspeler, zeg je dat ze teveel lawaai maakt. Kaat dacht dat het goed was om flink mee te spelen, maar begint “lawaaierig” steeds meer als een negatief aspect van zichzelf te zien en durft na een tijd niet meer zo enthousiast te spelen.

  • je een “selffulfilling prophecy” (zichzelf waarmakende voorspelling) veroorzaakt:

Jorne moet de glazen naar de bar brengen. Vorige keer heeft hij een glas laten vallen. Je zegt: “Jorne, laat het niet vallen hé. Straks maak je wéér iets kapot.” Als je dit steeds herhaalt zal Jorne onzeker worden en aarzelen om nog dingen te doen. Door de onzekerheid wordt hij onhandiger en je onbedoelde voorspelling is dus uitgekomen.

wh0cd368197 [url=http://buylevitra.us.com/]Levitra USA[/url]

Communicatie[bewerken]

Door middel van communicatie kan je informatie uitwisselen, gedrag van personen beïnvloeden, mensen motiveren en je gevoelens uiten. Ook in je scoutswerking wissel je voortdurend informatie uit. Je geeft een speluitleg, je maakt afspraken, je vraagt aan je leden hoe het met hen gaat, je toont je leden dat je hen waardeert, … Een goede communicatie kan er mee voor zorgen dat er minder misverstanden en dus minder conflicten ontstaan.

Beschrijving[bewerken]

Communicatieproces[bewerken]

Eigenlijk is communicatie tussen twee mensen niets meer dan dat de een (de zender) een boodschap met een bepaalde bedoeling uitzendt naar de ander (de ontvanger).

Communicatieschema.png

Boodschap[bewerken]

Communicatie is meer dan de uitwisseling van woorden. Naast de woordtaal brengt ook je lichaamstaal heel wat informatie over. De woordtaal of verbale communicatie bestaat uit woordsymbolen die een afgesproken betekenis hebben. De lichaamstaal of non-verbale communicatie verwijst naar het volledige arsenaal van lichamelijk gedrag, zoals gezichtsuitdrukkingen, intonatie van de stem, oriëntatie van ons lichaam, hand- en armbewegingen, het al dan niet aanraken van de gesprekspartner. Mensen communiceren zeer veel op non-verbale wijze. Vaak ben je je er niet van bewust dat je non-verbale signalen uitzendt of ontvangt. Deze vorm van communicatie is vaak eerlijker dan de verbale communicatie, omdat we er minder controle over hebben. Wanneer woord- en lichaamstaal elkaar tegenspreken, zullen mensen dan ook eerder vertrouwen op de lichaamstaal. Zowel in je spreek- als luistergedrag zal je hiermee rekening moeten houden.

Ruis[bewerken]

Je communicatie is geslaagd als de boodschap begrepen wordt zoals je die bedoeld had. Bij het uitwisselen van boodschappen kan er echter heel wat storing of ruis optreden. Hoe meer ruis er aanwezig is, hoe moeilijker de communicatie zal verlopen. Ruis kan op verschillende plaatsen in de communicatie zitten: bij de zender, bij de ontvanger, op de boodschap of op de interactie.

VOORBEELD

  • achtergrondlawaai,
  • ongeschikt taalgebruik of spraakproblemen,
  • de ontvanger is bezig met eigen emoties,
  • vermoeidheid, warmte, …,
  • information overload: vb. teveel spelregels in één keer willen uitleggen,
  • verschillen in referentiekader kunnen ervoor zorgen dat de ontvanger de boodschap anders interpreteert dan de zender ze bedoeld had.

Feedback[bewerken]

Wanneer je een goede communicatie wil opzetten, is het belangrijk om zoveel mogelijk ruis uit te schakelen. Omdat er zoveel ruis kan zitten op het communicatieproces is het belangrijk dat je nagaat of de boodschap begrepen is. Dit doe je door het vragen en/of het geven van feedback, zowel als zender als ontvanger. Zo kunnen heel wat misverstanden vermeden worden.

Duidelijke boodschappen geven[bewerken]

Als leid(st)er ben je regelmatig de zender van boodschappen, bijvoorbeeld wanneer je een speluitleg geeft, de regels duidelijk maakt of feedback op iemands gedrag geeft. Je zal er als zender voor moeten zorgen dat je boodschap zo duidelijk mogelijk overkomt.

wh0cd368197 [url=http://buylevitra.us.com/]Levitra USA[/url]

Actief luisteren[bewerken]

Ook je leden zenden heel wat boodschappen uit, bijvoorbeeld wanneer ze je komen vertellen dat ze ruzie hebben, waarom ze kwaad zijn of welke activiteiten ze graag doen. Als leid(st)er zal je op dat moment een goede ontvanger van hun boodschap moeten zijn. Dit doe je door actief te luisteren naar hun verhaal.

Actief luisteren is nagaan of je de boodschap goed begrepen hebt. Het is niet zozeer luisteren naar wat anderen zeggen, maar wel naar wat ze bedoelen. Met vragen en feedback geef je actief mee vorm aan het gesprek. Door op die manier te luisteren help je je leden om hun verhaal goed te formuleren en vermijd je foute interpretaties van jouw kant.

Als je naar iemand wil luisteren, maak je dit best duidelijk door een bepaalde luisterhouding aan te nemen: richt je op de ander, bijvoorbeeld door naar de ander toe te lopen, te kijken, instemmende geluiden maken, een arm om de schouder slaan, … Nodig je gesprekspartner uit om te praten door vragen te stellen zoals “zit je iets dwars?”, “wil je over iets praten?”, “scheelt er iets?”. Dring jezelf niet op als het antwoord negatief is. Toon dat je luistert en geïnteresseerd bent: oogcontact, hummen, knikken, lachen, fronsen, … (dit doe je natuurlijk alleen maar indien je ook echt geïnteresseerd bent. Met onecht gedrag val je meteen door de mand).

Het is belangrijk dat je de volledige boodschap oppikt. Luister dus niet enkel naar de verbale boodschap van je leden, maar let ook op de manier waarop ze iets zeggen en op hun lichaamstaal. Vraag eventueel om meer informatie aan de hand van open vragen. Zorg ervoor dat je eigen mening niet doorschemert in je vragen.

Ga steeds na of je het verhaal juist begrepen hebt. Vat in je eigen woorden samen wat er volgens jou gezegd is en controleer of dit ook de bedoelde boodschap was. Dit kan je doen door vragen te stellen zoals “Zeg je nu dat …?”, “Begrijp ik je goed als …?”, “Bedoel je dat …?”.

Je hoeft geen oordeel te vellen over de boodschap. Probeer er alles aan te doen om de boodschap vanuit het standpunt van je leden te bekijken. Je hoeft het niet eens te zijn met wat ze je vertellen. Op dit moment doet jouw mening er niet zo toe. Het gaat erom dat zij hun verhaal kunnen vertellen en jij op een neutrale manier begrip toont.

Wees je ervan bewust dat het onmogelijk is om niet te communiceren. Indien je kiest om niet te reageren op de boodschap van je leden, geef je daarmee ook een boodschap. Die boodschap kan bijvoorbeeld zijn dat je hen niet interessant vindt of dat je boos bent, maar ook dat je goedkeurt wat ze doen of zeggen (bijvoorbeeld als je niet reageert op pestgedrag).

Lees ook ...[bewerken]


Gewenst & ongewenst gedrag - Problemen oplossen - Belonen & straffen - Pesten - ADHD