Badgewerking Welpen

Uit FOSwiki


Deze pagina is een onderdeel van de pagina Klasse- & Badgewerking.
Lees ook de pagina's teerpoot en sterren.


Badgewerking biedt de Welpen de kans om hun interessegebieden en hobby's verder te ontwikkelen en te stimuleren en om spelenderwijs bruikbare zaken bij te leren. Ze ontwikkelen hun handigheid en zetten zich hard in om een doel op hun maat te bereiken.

Elke Welp is anders en heeft eigen talenten en interesses. Een badge is een bevestiging van een talent, het is leuk om er één te verdienen, maar het mag geen statussymbool worden. Daarom mag het verzamelen van badges geen doel op zich zijn.

Deze vaardigheidsproeven zijn duidelijk meer gespecialiseerd dan de andere proeven, zodat je er wel moet op letten, vooral met de jongere Welpen, dat je niet veel aandacht aan één punt gaat besteden en de andere punten verwaarloost.

Bij badgewerking kan de samenwerking met mensen van buiten de horde verrijkend zijn (iemand die bv. goed op de hoogte is van een of andere specialiteit).

Badges volgens Welpenboekje

Artiest

  • Ik doe mee aan een knutselactiviteit.
  • Ik maak een tekening of schilderij over een bepaald onderwerp en ik kan er iets over vertellen.
  • Ik maak een kunstwerk en kan er iets over vertellen.

Atleet

  • Ik doe mee aan een sportactiviteit.
  • Ik kan ... m snellopen in ... sec.
  • Ik kan ... cm verspringen.
  • Ik kan ... cm hoogspringen.
  • Ik kan ... m klimmen in ... sec.
  • Ik kan over een evenwichtsbalk lopen zonder te vallen.
  • Ik kan een bal meerdere malen vangen en terugwerpen.

Eerste hulp bij ongevallen

  • Ik kan een schram, snede en neusbloeding verzorgen.
  • Ik kan een brandwonde verzorgen. Ik ken de drie graden van verbranding. Ik ken de gevaren van en de voorzorgen tegen brand.
  • Ik ken de gevaren van een vuil verband.
  • Ik kan een arm ondersteunen met een doek.
  • Ik weet wat te doen als iemand zijn voet verstuikt.
  • Ik kan een voet of hand verbinden met een driehoeksverband.
  • Ik weet wat er in de EHBO-koffer zit.
  • Ik begrijp de noodzaak om hulp in te roepen van volwassenen bij een ongeval.

Entertainer

  • Ik kan de horde vermaken met een grootse act.
  • Ik zorg voor een mooi decor en inkleding.
  • Ik verwerk verschillende dingen in mijn act, zoals muziek, dans, toneel, mopjes, ...

Fietser

  • Ik ga mee op een fietstocht.
  • Ik kan goed fietsen.
  • Ik ken de verkeersregels die belangrijk zijn voor fietsers en ik volg ze.
  • Ik onderhoud mijn fiets.

Gids

  • Ik ga mee op een staptocht.
  • Ik kan een stadsplan gebruiken.
  • Ik kan een kompas gebruiken.
  • Ik kan een duidelijke wegbeschrijving geven om van één punt naar een ander te geraken (op bekend terrein).
  • Ik kan een plan tekenen van een weg die ik vaak afleg.
  • Ik ken de belangrijkste straten van mijn gemeente of wijk.
  • Ik weet enkele belangrijke plaatsen zijn in mijn gemeente of stad.
  • Ik kan de uurregeling van trein of bus lezen.
  • Ik kan een spoor leggen.

Goed speler

  • Ik speel steeds op een eerlijke en sportieve manier en probeer andere Welpen te helpen tijdens de spelen.
  • Ik doe mee aan een groot spel.
  • Ik leg een klein spel uit aan de horde.

Handige welp

  • Ik kan een vuur aansteken en doven. Ik ken de gevaren van vuur.
  • Ik kan een fornuis aansteken en uitdoen. Ik ken hiervan de gevaren.
  • Ik kan mijn valies zelfstandig en netjes inpakken.
  • Ik kan een knoop aannaaien.
  • Ik kan een kruissjorring maken.

Opmerker

  • Ik kan 6 dieren herkennen en er iets over vertellen.
  • Ik leg een herbarium aan met daarin minstens 5 planten en 5 vruchten of bladeren van een boom. Ik weet er iets over te vertellen.

Seiner

  • Ik kan een boodschap duidelijk overbrengen.
  • Ik kan een brief correct versturen.
  • Ik kan een telefoongesprek voeren en ik kan een telefoongids gebruiken (digitale en/of papieren gids).
  • Ik kan een geheimschrift ontcijferen.

Verslaggever

  • Ik vertel een verhaal aan de leiding of de horde.
  • Ik kan een tekst schrijven over de scouts, een welpenactiviteit of een leuke ervaring.
  • Ik kan een tekening of collage maken die de tekst verduidelijkt.
  • Ik kan bij een foto van een activiteit een duidelijke uitleg geven over wat er toen gebeurde.

Verzamelaar

  • Ik leg een verzameling aan gedurende lange periode.
  • Ik stel mijn verzameling voor aan de leiding of de horde en ik kan er iets over vertellen.

Zwemmer

  • Ik ga mee op een zwemactiviteit.
  • Ik heb ... meter kunnen zwemmen.
  • Ik heb ... seconden kunnen watertrappelen.
  • Ik kan een voorwerp uit het water halen.

Soorten badges

VERZAMELAAR (blauw)

  • Een verzameling aanleggen gedurende tenminste drie maanden en ze mooi en goed geordend voorleggen.
  • Iets afweten over deze verzameling.Je kunt planten, postzegels, prentkaarten, muntstukken, sigarebandjes, stenen, schelpen, pluimen, enz… verzamelen.

OPMERKER (blauw)

  • Zes dieren in de natuur gadeslaan en er iets over weten.
  • Je bevindingen in een plakboek of een paneel voorleggen (bv. de afdruk van een poot, pluim, stukje pels, waar het dier woont, eieren, enz…)
  • In de natuur 10 wilde bloemen herkennen en er iets weten over te vertellen.
  • In de natuur 10 bomen of struiken herkennen aan hun silhouet, bladeren, vruchten of bloesems, naargelang het jaargetijde en er iets weten over te vertellen.
  • Ik doe met succes mee aan een deductie- of kimspel.

SEINER (blauw)

  • Een uitleg van een leider kunnen samenvatten en overbrengen, zodanig dat de voornaamste punten duidelijk naar voor komen.
  • Ik ontcijfer een eenvoudig geheimschrift.
  • Ik kan de telefoon en de telefoongids gebruiken.
  • Ik verstuur een telegram of expressbrief.

ENTERTAINER (blauw)

  • Een muziekinstrument normaal kunnen bespelen.
  • Een personage uitbeelden door het te mimeren, of zich te verkleden, zodanig dat de horde het herkent.
  • Met je nest de horde vermaken, bv. door : het mimeren van een verhaal of lied, poppenspel, schaduwbeelden, goochelen, sketchen.

ATLEET (groen)

  • Regelmatig met de horde marcheren zonder vermoeid te worden.
  • Welpen van 8 tot 10 jaar
    • Snellopen : 50 m in 11”
    • Verspringen : 1,75 m met aanloop.
    • Hoogspringen : 65 cm met aanloop.
    • Klimmen : op een koord minstens 3 m hoog klimmen.
    • Evenwicht : zich over een balk van 4 m lang en 15 cm breed op een hoogte van 60 cm bewegen zonder te vallen.
    • Balwerpen : in een doel van 1 m op 1 m en op een afstand van 8 m een kleine bal werpen met de linker- en de rechterhand, en telkens 4 op 6 halen.
    • Een welp van je eigen gewicht over een afstand van 50 m dragen.
  • Welpen van 10 tot 12 jaar
    • Snellopen : 50 m in 10”.
    • Verspringen : 2 m met aanloop.
    • Hoogspringen : 80 cm met aanloop.
    • Klimmen : 4 m hoog klimmen langs een touw of in een boom.
    • Evenwicht : op een balk van 4 m lang en 10 cm breed op een hoogte van 60 cm boven de grond.
    • Balwerpen : op een afstand van 10 m een kleine bal in een doel van 1 m op 1 m mikken met de linker- en met de rechterhand, en 4 op 6 halen.
    • 25 m kunnen zwemmen.
    • Op je hoofd en handen kunnen staan (3”).

GOED SPELER (groen)

  • Een echte sportieve geest bezitten : de spelregels volgen, de scheidsrechter gehoorzamen, actief deelnemen aan alle spelen.
  • Een klein spel uitleggen aan de horde en het doen spelen.
  • Kleine spelen kunnen doen met je nest (10 min.)
  • 3 ploegspelen kennen en een ervan leiden.
  • Ik speel goed mee in een Groot Spel.

ZWEMMER (groen)

  • 50 m kunnen zwemmen.
  • Gedurende 30” kunnen drijven of watertrappen.
  • Ik haal een voorwerp uit het water op een diepte van 2 m.

FIETSER (groen)

  • Goed kunnen fietsen.
  • De verkeersreglementen kennen en in acht nemen.
  • Je fiets onderhouden : reinigen, stukken vernieuwen, smeren, enz.
  • Een band kunnen plakken en verwisselen.
  • Een rem kunnen herstellen.
  • De ketting kunnen opzetten en smeren.

DIERENVRIEND (rood)

  • Een huisdier verzorgen (eten geven, verzorgen, hok proper houden).
  • De vogels beschermen : ze in de winter voedsel geven en drinken. Zorgen voor de hokjes.
  • Voor de welpen in de stad : 3 wilde vogels herkennen aan hun zang of vederen. Iets afweten over hun levenswijze.
  • Voor de welpen op het platteland : een erf kunnen verzorgen, konijnen en pluimvee voeden en verzorgen.

HANDIGE JONGEN OF MEISJE (rood)

  • Een vuur in openlucht kunnen aansteken, er op koken en het onderhouden.
  • Een fornuis (gas, elektriciteit) kunnen aansteken en er de gevaren van kennen.
  • Thee en koffie kunnen zetten.
  • Aardappelen en deegwaren kunnen koken.
  • Eieren kunnen koken en bakken.
  • De tafel netjes kunnen dekken en afruimen.
  • Je bed kunne opmaken, je kamer vegen, meubels afstoffen en ruiten wassen.
  • Het vaatwerk afwassen.
  • Zakdoeken en je das wassen en strijken.
  • Een scheurtje kunnen herstellen.
  • Een knoop kunnen aannaaien.

EERSTE HULP BIJ ONGEVALLEN (rood)

  • Een schram, snede, brandwonde en een neusbloeding kunnen verzorgen.
  • De gevaren kennen van een vuil verband.
  • Een halsdoek gebruiken om een arm te ondersteunen.
  • Weten wat de doen met een persoon die zijn voet verstuikt heeft.
  • De gevaren van en de voorzorgen tegen brand (gas, bosbrand, benzine) kennen.
  • Weten hoe klederen te doven die vuur gevat hebben.
  • Een voet en hand kunnen verbinden (driehoeksverband).
  • De EHBO-kist van de horde onderhouden onder toezicht van de hordeleider.
  • De adressen kennen van de dokter en de dichtstbijzijnde apotheker (vooral ’s zondags met de wachtdienst). Hen kunnen verwittigen.
  • De noodzakelijkheid begrijpen de hulp in te roepen van volwassenen.

GIDS (rood)

  • Een juiste en klare uitleg kunnen verschaffen aan iemand die zijn weg vraagt.
  • Een idee hebben van de tijd en de afstand nodig om een bepaalde plaats te bereiken (te voet, per auto, per tram).
  • Uit het hoofd een plan opmaken van een weg die men gewoon is te volgen.
  • Een stadsplan kunnen gebruiken.
  • De telefoongids raadplegen en beleefd en in keurig Nederlands kunnen telefoneren.
  • De voornaamste straten kennen van zijn gemeente of wijk en een algemene kennis hebben van tram- en buslijnen.
  • De voornaamste standbeelden en monumenten van zijn omgeving kennen en iets afweten van hun geschiedenis.
  • De uurregeling van trein of bus kunnen lezen.
  • In zijn gemeente of wijk en in de buurt van het lokaal het gemeentehuis, een dokter, een benzinestation, een postbus, een publieke telefooncel, een apotheker en een hospitaal weten.
  • De horde terug op haar uitgangspunt brengen na een wandeling van een kwartier in onbekend gebied.

KNUTSELAAR (geel)

  • Een stuk speelgoed of nuttig voorwerp vervaardigen in hout. Het vernissen, schilderen of sappen.
  • Een beschadigd voorwerp weer opknappen (opnieuw schilderen of vernissen, herstellen).
  • Alleen een gebruiksvoorwerp vervaardigen (gebruik van schroeven) : eetbakjes voor vogels, kapstok, sleutelrek, broodplank, boekenplank.
  • Je materiaal in goede staat houden.

WEVER (geel)

  • Een draad door een naald kunnen steken en een knoop aannaaien.
  • 4 van de volgende proeven uitvoeren :een kous stoppen, een nuttig voorwerp breien of haken, een zoom aan een kleed zetten, een nuttig weefstuk maken, een naadwerk voltooien, een net of voorraadzak weven (weversknoop), een vlechtwerk maken (mandje, onderlegger), iets verwezenlijken in raffia, een tapijtje knopen.

KUNSTENAAR (geel)

  • Een tekening maken naar het leven (dier, mens, landschap enz.) of een verhaal of een junglethema illustreren met verf en penseel.
  • Met klei, plaaster, plasticine, papierdeeg een boetseerstuk maken of een maquette of een jungle- of stadsplan, enz.
  • Je materiaal onderhouden en aanvullen (potloden aanpunten, gommen, borstels en penselen, verfpotjes, klei en plasticine goed wegbergen).

Akela kan aan je vragen het materiaal van de horde gedurende drie maanden te verzorgen.

TUINMAN (geel)

  • Een tuintje onderhouden en zich daarbij bedienen van het normaal tuingereedschap of in een bloembak 4 verschillenden planten laten groeien gedurende tenminste 3 maanden.
  • Minstens 4 soorten bloemen en bomen kennen of 4 groenten en struiken.
  • Een plakboek , met tenminste 12 planten erin, bijhouden. Dit plakboek aanvullen met knipsels en foto’s of afbeeldingen van bloemen en planten.
  • Een scheut doen groeien of een knol laten ontkiemen (boon, kastanje, bloembol).