Beververhaal

Uit FOSwiki

Het gebruik van een thema voor de bevertak is steeds ter discussie gesteld. Hierbij werd steeds het verhaal, geschreven door A.H. Mc Cartney, “De vrienden van het woud”, naar voor geschoven. Het is ook dit “thema” dat o.a. in Canada en bij de F.E.E. gebruikt wordt.

Voor het “echt” invoeren van een thema zoals het junglethema bij de welpen, stellen er zich wel enkele fundamentele problemen. Zo is dit “beververhaal” helemaal niet vergelijkbaar met het boek van R. Kipling, het “Jungleboek”. In dit laatste wordt door de aanwezige symboliek een middel getoond om kinderen te helpen en te begeleiden in een deel van hun morele vorming. Het eigenlijke verhaal is hierbij ondergeschikt.

Bij “De vrienden van het woud” is dit helemaal niet zo. Hier primeert duidelijk het verhaal. En het zou dan ook onzinnig zijn bevers drie jaar (!) met dit thema te bestoken. Dit wil echter niet zeggen dat het niet gebruikt kan worden voor spelen en andere activiteiten. Maak er echter zeker geen doorlopend thema van. Laat dit “voorrecht” aan het welpenthema!

Voor spelen kan en moet je natuurlijk ook andere thema’s gebruiken. We vermelden hier het boek “De Bevers” van Irene Brady. Het is een verhaal over de geboorte en het opgroeien van de bevertweeling Katja en Peddel, waarbij we een heleboel te weten komen over het leven van de bevers. Je kan het vertellen, voorlezen of stukjes eruit verwerken in spelen.

Tussen twee haakjes : op een enkele uitzondering na, heeft waarschijnlijk niemand van de kinderen (en de volwassenen?) ooit een bever van dichtbij gezien. Ze weten dus niets van het leven van dit diertje. Hier ligt een enorme kans, grijp ze!!!

Hoofdstuk 1

De grote Bruine Bever had een belangrijke mededeling. Hij kwam naar het midden van de vijver en klapte met zijn staart. Klap, klap, klap, drie maal op het water. Alle andere bevers in de vijver hoorden het en haastten zich over de beverdam, die gebouwd was door de Bruine Bever. Bij de beverdam werd een bijeenkomst gehouden.

"Wat denken jullie dat er aan de hand is?" vroeg de kleine bever met zijn scherpe voortanden. "Het gaat over de mensen in het nieuwe huisje." zei een van tweelingbevers. "Dat weet ik," zei de andere tweelingbever, "omdat de Bruine Bever daar vanmorgen in de buurt aan het zwemmen was."

Van alle kanten van de vijver zwommen de bevers naar de ontmoetingsplaats. Bruine Bever zat op een boomstronk en keek heel gewichtig. Hij was een wijze bever. Hij wist heel veel over het bos en over de vijver. Alle dieren waren zijn vrienden. Hij klapte in zijn voorpoten om stilte. De 15 bevers, die in een kring om hem heen zaten, werden stil. "Grote en kleine bevers," zei hij, ik heb jullie iets belangrijks te vertellen. Beneden bij de beek, bij de kromming van het meer, zijn vier mensen een huisje aan het bouwen. Er zijn twee grote en twee kleine mensen en ze lijken erg vriendelijk. De jongen zag mij het eerst en toen zwaaiden ze allemaal naar me. Ik sloeg met mijn staart op het water en dat vonden ze leuk. Toen ik terugging naar de beek om jullie het nieuws te vertellen, kwam ik Tic-tac de eekhoorn tegen. Hij vertelde mij dat ze Jansen heetten. En omdat ik graag wil dat ze onze vrienden zullen worden, grote en kleine bevers, heb ik jullie bij elkaar geroepen om hun namen te geven. Zoals jullie weten, moeten alle vrienden van het bos namen hebben."

"Hoe doen we dat?" vroeg de bever met de langste tanden. "Wij willen ze eerst zien voor we ze namen geven." "Goed," zei de Bruine Bever, "we gaan met zijn allen naar beneden om de familie Jansen te bekijken." Opgewonden zwom de groep naar de plek waar de familie druk bezig was met het zomerhuisje. Vader Jansen merkte als eerste de bevers op: "Kijk eens, we hebben geselschap. Draai je niet te snel om, anders maak je ze misschien bang." Langzaam keken ze om en zagen ze de bevers.

"Zei ik niet dat we genoeg vrienden in het bos zouden hebben," zei de moeder. "Ik denk dat er een beverkolonie bij de dam in de beek is," zei vader.

De bevers keken goed naar de mensen om te zien of ze een naam konden bedenken. Het meisje kwam dichter bij de dam en trok langzaam haar schoenen uit. De bevers gingen een beetje terug in het diepe water en het meisje begon te spetteren. De jongen, vader en moeder liepen een eindje de dam op en dachten dat de bevers wel weg zouden zwemmen. "Ik denk," zei de jongen, "dat ze ons willen bekijken om te zien of wij wel aardig zijn." Toen klonk een luid geklap van de Bruine Bever, waarop ze allemaal teruggingen. Verderop in de beek gingen ze met elkaar overleggen welke namen ze voor de mensen bedacht hadden. De Bruine Bever zei: "De vader zag ons het eerst, ik denk dat we hem Valkenoog zullen noemen. "Oh, dat is een prachtige naam! "zeiden de bevers. De tweelingbevers begonnen te kwetteren: "Zagen jullie de kleurige kleren die de moeder droeg? Het is net een regenboog. Laten we haar Regenboog noemen!" Dat vonden de andere bevers een prima idee. "Ik was het dichtst bij het meisje, toen zij naar het water kwam," Zei de bever met de kortste staart. "Ze spetterde en maakte grote bellen met haar voeten. Wat denken jullie ervan om haar Bubbels te noemen?" "Oké," zeiden de andere bevers. "Hebben jullie gezien wat voor kleur haar de jongen heeft?" Dat hadden ze, het leek wel roestbruin. "We zullen hem Rusty noemen," zei de Bruine Bever. Zo hadden ze voor iedereen een naam bedacht.

Hoofdstuk 2 “de storm”

Het onweer maakte Rusty wakker. Een lichtflits verlichtte de kamer en hij zag dat het pas vier uur in de nacht was. Het regende al toen hij naar bed ging. Toen hij uit het raam keek, sloeg de regen er nog tegenaan. Hij wist dat er 's morgens overstromingen zouden komen en was bang voor wat er zou gebeuren met de beverdam. Er stroomde zoveel extra water de beek in. Hij draaide zich om en probeerde weer te slapen. Toen hij wakker werd scheen de zon niet. Bij het ontbijt zei Valko: "Jongens, ik heb vannacht slecht geslapen, de beek stroomt erg hard en ik maak me een beetje bezorgd over de beverdam. Laten we eens gaan kijken wat onze bevervrienden aan het doen zijn." Snel gingen ze op pad. Allemaal droegen ze regenjassen en rubberlaarzen. Al gauw kwamen ze bij de dam. De regendruppels van de takken van de bomen vielen in hun nek en maakte ze nat. Zij zagen direct dat al die regen teveel was geweest voor de dam. De dam was kapot, het water stroomde er hier en daar overheen. "Kijk papa, de dam is kapot, kunnen wij ze niet helpen?" "Ik denk niet dat wij niets kunnen doen Rusty." zei Valko. "Laten we daar op de heuvel gaan zitten en wachten. Het water is nog erg hoog en ik denk dat als het water zakt, we onze vrienden de bevers wel tevoorschijn zien komen om de dam te repareren." Ongeveer een half uur later was het water zover gezakt dat Bubbels de eerste bever zag. De bever controleerde en testte de dam hier en daar. Al gauw kwamen er al enkele andere bevers; ze begonnen te werken. Hoewel de dam erg beschadigd was, probeerden ze hem toch snel weer te maken. Het was een hele klus, maar ze deden het met plezier. "Nu weet ik waarom bevers vlijtig genoemd worden," zei Rusty. "Kijk eens naar die kleine daar," zei Rebo. "Waarom is die zo klein?" vroeg Bubbels. "Het is nog een babybever, maar ik denk dat ze hem spoedig een echte bever zullen noemen want hij werkt al goed mee. Eindelijk was de dam gerepareerd. Moe maar tevreden, hapten de bevers wat frisse lucht en doken naar de bodem van de vijver waar de doorgang naar hun bever¬burcht was. Omhoog door de tunnel kwamen ze bij de binnenkant, veilig en warm. Ze wisten dat ze veilig waren nu de dam was gerepareerd. Terwijl ze weer terug liepen kreeg Rusty een idee. "He Bubbels," zei hij," waarom maken wij ook niet zo'n beverburcht voor onszelf? Dan hebben we een geheime schuilplaats, we kunnen hem bouwen achter het zomerhuisje". Bubbels vond het een prachtidee. En terwijl ze terugliepen maakten ze plannen voor hun eigen beverhuis. Hij zou wel op het land staan, maar hij zou net zo sterk en veilig moeten zijn als een echte beverburcht.

Hoofdstuk 3 “Keeo”

De bever Keeo voelde zich rusteloos. Hij was de grootste bever in de beek. Als hij zwom zag je de golven breken tegen de zijkanten van de beek. Pats, pats. De hemel was zwaarbewolkt. Hij hoopte maar dat er geen over¬stromingen meer kwamen. Ze hadden net de dam gerepareerd. Toen ineens begon het te donderen en een felle bliksemschicht doorkliefde de hemel. "Oh nee," dacht Keeo," daar begint het weer, weer een storm" De wind hield op en de stilte was beangstigend. Het was de stilte die je hoort voor een grote storm. De bladeren ruisten niet meer en het regende ook nog niet. Er hing een stilte over de beek en de rest van het bos en alle dieren zochten dekking, allen behalve Keeo. Hij zat op de grootste boomstam, bovenop de beverdam. Niemand wist waarom hij daar bleef. "Hij zou eigenlijk naar binnen moeten komen, "zeiden de andere bevers," Er kunnen bomen of takken op hem vallen." Later vertelden alle bevers een ander verhaal. Allemaal zagen ze het op een verschillende manier, maar over een ding waren ze het eens, het was de tweede bliksemflits die het gedaan had. Dat was de lichtflits die de boomstam waarop Keeo zat scheen te raken. Toen de flits weg was, was er een vreemde gloed rond de bever te zien" Eerst dachten de bevers dat de bliksemflits hen blind gemaakt had, want als ze naar Keeo keken leek net alsof hij zelf een lichtschijnsel om zich heen had, zelfs alsof hij van zilver was. Zij werden ongerust, want ze dachten dat hij erg verbrand was. Maar hoe langer zij keken, des te meer zagen zij wat er werke¬lijk gebeurd was. Hij was helemaal zilver geworden. Keeo zelf was stomverbaasd, hij voelde zich zo vreemd. Als hij naar zijn vacht keek zag hij dat hij helemaal zilver was geworden. Maar dat was nog niet alles, hij dacht ook an¬ders. Hij dacht dingen die nooit eerder had gedacht. Hij voelde tot zijn verbazing dat hij niet alleen kon denken als een bever, maar ook als een mens. Hij kon net zo denken als de mensen in het zomerhuisje beneden bij de beek. Hij voelde zich nu erg belangrijk en riep alle bevers bij elkaar om hen het nieuws te vertellen. Hij vertelde hen in bevertaal dat hij net zo kon denken als een mens. In het bijzijn van al zijn vrienden sprak hij een paar woorden mensentaal om te laten zien dat hij dat inderdaad kon. "Je hebt nu wel een grote verantwoordelijkheid," zeiden de bevers. "Jij zal nu met alle dieren van het bos kunnen praten, Je kunt nu leren van onze mensenvrienden en zij kunnen alle belangrijke dingen van de natuur leren van ons. "Keeo," zeiden ze, "jij zult voor ons allemaal moeten praten. Keeo vroeg zich af hoe hun mensenvrienden zouden reageren als ze hem hoorden praten. Misschien was het, het beste om eerst met de jongsten te praten. Keeo liet zich van de boomstam glijden en zwom af naar het zomerhuisje om te kijken of hij Rusty of Bubbels kon vinden.

Hoofdstuk 4 “Keeo, de pratende bever”

Keeo piekerde erover hoe een bever naar Rusty en Bubbels toe moest gaan om met hen te praten, terwijl hij naar het zomerhuisje zwom. "Waarover moet ik praten," dacht hij bij zichzelf. "Ik denk dat het eerste wat ik ze moet vertellen is wie ik ben en dan zie ik vel wat zij zeggen." Zo belandde hij in de kreek waaraan het huisje lag. Hij dacht er echter niet aan dat het meisje en de jongen de namen niet kenden die de bevers hun gegeven hadden. De jongen stond te vissen aan de oever en keek verbaasd op toen hij een stem hoorde zeggen: "Hallo Rusty, ik ben Keeo de pratende bever." Keeo zag de verbaasde blik van de jongen en zei toen: "Oh neem me niet kwalijk Rusty is de naam die wij bevers jou gaven, je zusje noemen we Bubbels." "Nou," zei Rusty, "ik ben wel verbaasd om je te horen, nee, om je te zien en te horen." Rusty stak zijn hand uit en schudde de voorpoot van Keeo. "Ik zal mijn zusje roepen," zei Rusty en hij riep haar hard. Bubbels was in de keuken, ze hielp daar haar moeder met koeken bakken. Ze rende naar Rusty toe met twee koeken in haar hand. "Wat is er," vroeg ze. "Ik wil je voorstellen aan onze nieuwe vriend Keeo, de bever, oh ja, en ze noemen je Bubbels." "Wie noemen mij Bubbels?" vroeg ze. "Keeo, de zilveren bever en al onze vrienden de bevers verderop in de beek. "Leuk je te ontmoeten Bubbels," zei Keeo. "Ook leuk jou te ontmoeten Keeo," zei Bubbels. Omdat ze verder niet wist wat ze doen moest, gaf ze Keeo een van de koeken. Het was de eerste koek die hij in zijn leven zag. Hij vroeg zich af of de mensen altijd een koek gaven bij een kennismaking. Toen hij zag dat Rusty zijn koek opat, deed hij het ook. Het smaakte best lekker, niet zo lekker dan een wilgentak, maar toch niet gek. Bubbels en Rusty zaten in het gras naar Keeo te kijken. "Keeo," zei Rusty, "nu moet je ons eens vertellen hoe het komt dat je kunt praten." En dat deed Keeo. Hij vertelde hoe hij een pratende zilveren bever werd. Ook vertelde hij over de namen die de bevers aan de familie Jansen hadden gegeven. Ze dachten dat ze wel goede vrienden zouden worden. "Wel het wordt al laat," zei Keeo, "ik ga nu terug naar de andere bevers om alles te vertellen." "prima," zei Bubbels, "wij gaan naar huis om alles aan Valko en Rebo te vertellen." Ze spraken af om elkaar de volgende dag om tien uur weer te ontmoeten bij de vijver van de bevers. Dan zou Keeo de andere bever voorstellen aan Rusty en Bubbels.

Hoofdstuk 5

Tic-tac de eekhoorn kon zijn ogen niet geloven. Hij zat op een tak van de grote eik, vlakbij de vijver. Beneden hem waren de bevers met z'n allen bezig allerlei eten te verzamelen voor de winter. Samen knaagden ze aan bomen en zwommen naar de beverburcht waar ze al het eten bewaarden. "Ik snap niet waarom ze dat werk samen doen. Waarom verzamelt iedereen niet eten voor zichzelf." Hij zou hierover wel eens met iemand willen praten. Misschien was Malak, de grote wijze uil, wel wakker. Van tak naar tak springend kwam Tic-tac boven in de boom terecht. Daar zat met zijn ogen half geopend, Malak de uil. "Hallo Malak," zei Tic-tac, "waarom doen ze dat, waarom doen ze dat?" "Waarom doen wie wat?" vroeg Malak een beetje brommerig, omdat hij overdag niet graag wakker gemaakt wilde worden. Nou ze verzamelen samen eten; ik snap niet waarom?" "Waar heb je het over Tic-tac," vroeg Malak, die nu echt goed wakker was en toch wel nieuwsgierig was waarom de eekhoorn zo opgewonden deed. "Nou als ik mijn eten voor de winter verzamel, ga ik op pad, verzamel al mijn noten en ik verstop ze overal in het bos. Ik verstop ze op een plek die alleen ik weet, dat doen alle eekhoorns zo. Wij bewaren het eten voor onszelf, maar dat doen die bevers helemaal niet. Ze zoeken samen eten, verdelen het werk en ik denk dat ze het voedsel later ook verdelen." "Ja," zei Malak, "de bevers zijn knap, als je dichtbij kijkt kun je zien dat sommigen aan de dam werken, anderen leren de jongste bevers hoe ze beter kunnen zwemmen. Kijk maar eens goed naar de Bruine Bever, die leert de allerkleinsten hoe ze een tak door moeten knagen zodat die valt waar zij willen dat die valt. Alle anderen werken in de beverburcht. Zij verdelen al het werk, dat is toch een goede manier om te leven, elkaar helpen waar het kan." "Ik hou er niet van," zei Tic-tac, "Ik hou er helemaal niet van." Nee natuurlijk niet," zei Malak, "daarom ben jij een eekhoorn en iedereen weet dat eekhoorns kleine egoïstische dieren zijn die alles zelf doen. Dat is nou eenmaal zo bij eekhoorns, maar het zou zo dom niet zijn als jullie met elkaar noten zouden zoeken, want volgens mij kun je de helft van je noten niet meer terugvinden." "Nou," zei Tic-tac, "je hebt gelijk, ik heb inderdaad al heel wat plekken vergeten." "Zie je wel," zei Malak, "als jullie met elkaar noten zouden verzamelen zouden alle eekhoorns 's winters genoeg te eten hebben." "Dat is een goed idee," zei Tic-tac, "ik ga het gauw vertellen aan de andere eekhoorns." Hij rende weg op zoek naar de andere eekhoorns. Malak die de eekhoorns goed kende, dacht niet dat Tic-tac veel succes zou hebben. Voordat hij weer ging slapen wierp hij nog een laatste blik over de vijver. Hij glimlachte toen hij naar de bevers keek. "Ja," dacht hij, "zij zijn echt slim, zij weten hoe ze met elkaar samen moeten werken en spelen; deze winter hebben ze genoeg te eten. Als ik geen uil was, dan zou ik een bever willen zijn."

Hoofdstuk 6 “Rusty bezoekt de beverburcht”

De bevers waren zo opgewonden, dat Keeo een bijeenkomst uitriep om alle bevers te kalmeren. "Grote en kleine bevers," zei hij, "het is pas zeven uur en Rusty en Bubbels komen niet voor tien uur deze kant op. Laten we dus rustig gaan zitten en zorgen dat alles in orde is." "Alles is al in orde," zei een van de tweeling bevers. "Laten voor de zekerheid alles nog even nagaan" zei Keeo. "Eerst even kijken, is Rusty's vlot al klaar?" "Ja," zeiden de bevers. "Is de beverburcht helemaal schoongemaakt en klaar voor onze gasten?" "Ja," zeiden de bevers. "Hebben we appels zodat we iets kunnen geven om op te eten?" "Ja," zeiden de bevers. "Hebben we de onderwater ingang groter gemaakt, zodat er een kind naar binnen kan?" "Ja," zeiden de bevers. "Dan denk ik dat alles in orde is, nu moeten we wachten tot ze komen." Niet alleen de bevers waren opgewonden; Rusty was ook al vroeg opgestaan. Hij was bezig om het ontbijt klaar te maken toen Bubbels, Valko en Rebo de keuken in kwamen. "Waarom ben je al zo vroeg op Rusty," vroeg Valko. "Vandaag ga ik naar de beverburcht, na het ontbijt ga ik mijn duikbril en zwemvliezen controleren. Ik ben straks de eerste mens die een bezoek heeft gebracht aan een Beverburcht terwijl de bevers erbij zijn." "Nou Rusty, ik wil wel dat je voorzichtig bent," zei Rebo, "hoe diep is die vijver?" "0, ik zal voorzichtig zijn," zei Rusty, "Keeo zei dat het ongeveer drie meter diep was, bovendien zouden ze de ingang breder maken zodat ik er gemakkelijk in kan. Binnenin de burcht zou er genoeg frisse lucht zijn om te ademen." "Toch moet je voorzichtig zijn," zei Rebo. "He, ik wou dat ik ook zo goed kon zwemmen als Rusty," zei Bubbels, "maar ik kan met het vlot erboven drijven en dan met de tweeling bevers spelen." Het ontbijt was snel opgegeten en daarna verdwenen Bubbels en Rusty naar de vijver. De bevers waren opgewonden toen ze daar aankwamen. Met behulp van de ijverige bevers klommen Rusty en Bubbels op het vlot en peddelden naar de beverburcht. Rusty had zijn zwembroek al aan, dus hoefde hij alleen zijn duikbril maar op te zetten en zijn zwemvliezen aan te doen. "Nou," zei Keeo, terwijl hij rond het vlot zwom, "we zullen allemaal een beetje achteruit gaan om Rusty ruimte te geven." "Ik laat me in het water vallen en haal diep adem en dan zal ik je volgen Keeo, maar laat het naar beneden gaan niet te lang duren want ik kan mijn adem niet zo lang inhouden." Na diep ademgehaald te hebben verdween Rusty onder water. Met zijn duikbril op zag hij Keeo met zijn zilveren vacht. De vijver was mooi schoon, zodat hij alles goed kon zien. Zij zwommen naar beneden en na een paar seconden zwom Keeo de wijde opening binnen. Rusty kon er makkelijk door en zwom snel. Nog een paar slagen en hij was erdoor. Toen moest hij nog even naar boven zwemmen en …… floep …… z'n hoofd kwam boven in de beverburcht. De bevers juichten om hem te verwelkomen. Keeo die namens de bevers sprak zei hoe blij ze waren dat Rusty op bezoek was in de burcht. Een van de bevers bood Rusty een appel aan. "Dank je wel," zei Rusty, "wat een leuk idee!" "Ja," zei Keeo, "we wilden je iets te eten geven, maar het moest door het water hierheen. Daarom dachten we dat een appel het beste was, want het geeft niet al wordt hij nat." Terwijl hij om zich heen keek verwonderde hij zich erover dat de burcht zo groot was. Hij kon er in staan en hij zou er zelfs in kunnen liggen. Het was erg schoon en toen hij naar de muren keek zag hij dat ze erg sterk waren. Natuurlijk rook het er vochtig. Hij at de appel op, het smaakte lekker. "Kunnen jullie de geluiden van het bos horen als jullie hier zijn?" vroeg Rusty. "Nee," zei Keeo, "we horen bijna niets. We horen wel als Bubbels en jij aan het zwemmen zijn en een keer toen Valko en Rebo in hun kano zaten, hoorden we hun peddels. Alleen geluiden in het water kunnen we horen, maar geluiden van het bos horen we niet." "Dat moet dan wel heel vredig zijn," zei Rusty. Hij was nu ongeveer tien minuten in de burcht. Hij wist dat Bubbels, die op het vlot zat, zich ongerust zou maken als hij lang weg bleef . Dus bedankte hij de bevers, zwom door de opening en toen weer naar boven. Hij kwam zo snel boven dat hij bijna zijn hoofd stootte tegen het vlot. Rusty vertelde aan Bubbels hoe de burcht er uit zag. Ondertussen zwommen de bevers rond het vlot, terwijl het voortduwden naar de kant. Bij de kant aangekomen trokken ze het vlot weer op de wal. Na een laatste groet aan de bevers gingen ze weer naar huis. Rusty raakte niet uitgepraat over de beverburcht. "De volgende keer ga ik ook," zei Bubbels," dus moet jij me zo snel mogelijk beter leren zwemmen." "Afgesproken," zei Rusty.

Hoofdstuk 7 “De gelukkige bevers”

De warme lentezon maakte de bevers slaperig. Ze keerden die avond vroeg terug naar hun burcht. Toen ze lagen dachten ze aan de gebeurtenissen van die dag. Een van de tweeling keek op en vroeg aan Keeo: "Zijn alle beverkolonies net zo gelukkig als wij zijn?" "Dat weet ik eigenlijk niet," zei Keeo, "maar als ze het willen kunnen ze het worden. Wij hebben geleerd samen te werken en te spelen. Het belangrijkste is dat we hebben ge¬leerd om samen te werken als een groep, vanaf de nieuwste bever tot aan de bever die al twee jaar of langer in de kolo¬nie leeft. Jullie herinneren je de nacht van de storm, en hoe de dam toen bijna weggeslagen was en de allerjongste bever controleerde de dam. Wij hebben dingen van elkaar geleerd en ook van de men¬sen. Daarom zijn wij een gelukkige kolonie en zijn Bubbels en Rusty ook blij.".

Hoofdstuk 8 “Nieuwe grenzen”

De tweeling bevers waren een beetje bedroefd maar toch opge¬wonden. Ze wisten namelijk dat ze de kolonie 's middags zouden verlaten. Het was een fijne tijd geweest samen met hun vrien¬den, dus waren ze een beetje bedroefd dat ze afscheid moesten nemen. Maar ze waren ook opgewonden, omdat ze in een veel grotere wereld zouden komen. Daar zouden ze nieuwe vrienden ontmoeten en nieuwe dingen leren. Keeo had hun verteld dat zij een geweldige verrassing zouden krijgen, die alleen de vlijtigste bevers kregen. De tweeling vroeg wat dat dan was, maar Keeo had gezegd: Binnenkort zullen jullie het wel zien. "Keeo wist dat er spanning in de lucht hing, die middag. De tweeling bevers gingen naar een andere groep vrienden van het bos. Keeo herinnerde zich nog goed de dag dat hij geleerd had te denken en te praten als een mens, hij wist dat diezelf¬de spanning nu weer in de lucht hing. Terwijl de beverkolonie wachtte op het moment dat de tweeling weg zou gaan werd het donkerder. De tweeling bedacht dat ze nog niet vaak naar de andere kant waren gezwommen. Zij wilden snel weggaan want het werd alsmaar donkerder en de donderwolken pakten zich samen. Juist toen ze het water uitklommen, de kant op gebeurde het..….. op precies dezelfde manier als bij Keeo….. een bliksemflits. Zij zagen zichzelf veranderen. Het eerste wat zij zagen was dat hun beverstaarten waren verdwenen en dat hun pels was veranderd. Zij waren anders geworden, zij waren van een bever veranderd in een jonge wolf. Het was een vreemd gevoel en ze stonden elkaar verbaasd aan te staren. Ze bleven niet lang alleen, want onmiddellijk kwam er uit het bos een stel wolven. De wijste wolf kwam naar hen toe en zei; "Ik ben Akela, de leider van de wolvenhorde. Bij de bevers hebben jullie geleerd over de natuur en bij Valko, Rebo, Rusty en Bubbels hebben jullie geleerd over de mensen. We heten jullie welkom en we verwachten dat jullie de jonge wolven zullen helpen op dezelfde manier als jullie deden bij de bevers. De wereld is voor jullie nu groter geworden en als een horde zullen wij het bos bevolken. Sommige dingen zullen we samen doen en sommige doen we apart." De tweeling was niet bang, zij waren samen met vrienden uit het bos. De wolven gingen in een kring om hen heen staan in met een hard wolvengehuil van blijdschap doken zij onder in de wereld van de wolvenhorde.