De geschiedenis van FOS Open Scouting

Uit FOSwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Geschiedenis van Open Scouting in Vlaanderen en Brussel

Deze tekst wil het verhaal vertellen van Open Scouting in Vlaanderen en Brussel. We hebben geprobeerd zo objectief mogelijk te zijn en ons te concentreren op de feiten, waarbij de scharniermomenten in de geschiedenis van Open Scouting zoveel als mogelijk worden belicht. Uiteraard is deze tekst slechts een aanzet tot onze geschiedschrijving en is hij zoals alles steeds voor verbetering vatbaar.

Beginnen doen we onze geschiedschrijving uiteraard met een korte levenschets van de stichter van Scouting:

1. Robert Baden-Powell ofte BP

BP's jeugd

Robert Stephenson Smyth Powell wordt geboren op 22 november 1857 in Paddington, een wijk in hert hartje van London. Zijn ouders waren een Anglicaanse priester en Henrietta Grace Smyth. De jonge Robert kent een onbezonnen jeugd en groeit op in een veilige familiale omgeving. Het ouderlijk huis wordt vaak bezocht door kunstenaars en schrijvers. Al gauw neemt de jonge Powell een dubbele naam aan, namelijk Robert Baden-Powell. Alhoewel Baden-Powell aanvankelijk een universitaire opleiding op het oog heeft, faalt hij hierin. Hij neemt dan maar deel aan een militair examen en slaagt.

Militaire carrière

Hij schrijft zich in voor het militaire college en vertrekt als onderluitenant met zijn regiment naar Indië. Hij ontwikkelt hier een liefde voor de natuur en heeft enorm veel belangstelling voor de inheemse culturen. In 1885 wordt hij overgeplaatst naar Natal in Zuid-Afrika waar hij de bijnaam M’Hala Panni verwerft: de man die zich neerlegt om te schieten. Hij ontvangt tevens van een Zulu-koning, Dinizulu, een ketting met houtblokjes. Deze ketting zal later als voorbeeld gebruikt worden bij de woodbadge-werking.

Aids to scouting

Robert wordt vooral ingeschakeld bij militaire missies waar hij zijn creativiteit en strategisch doorzicht verder kan ontwikkelen. Hij bespioneert de posities van de vijand zowel overdag als ’s nachts. Men noemt hem Impeesa, de wolf die nooit slaapt. Terug in Indië schrijft hij een handboek “Aids to Scouting”, dat hij gebruikt om zijn regiment op te leiden. Zijn soldaat-verkenners leggen sporen en leren hoe ze de vijand moeten schaduwen.

In Zuid-Afrika is ondertussen de Boerenoorlog in alle hevigheid losgebarsten en men belast Baden-Powell met een nieuwe opdracht. Hij moet de strategische plaats Mafeking in handen houden in afwachting van de hulptroepen. Baden-Powell slaagt hierin door zijn organisatorische talenten ten volle te benutten. De stad wordt bevrijd en Robert krijgt de titel “Held van Mafeking”. Om de regio en de overwonnen gebieden onder controle te houden, richt hij een South African Constabulary op, een patrouille verkenners die de vrede moet handhaven.

Scouting for Boys

Ondertussen kent zijn handboek een enorme verspreiding in zijn thuisland. Jongeren nemen de technieken en de methodiek over. Ze verkleden zich als jonge soldaten en introduceren nieuwe elementen zoals spoorzoeken of camouflage in hun spel. Baden-Powell besluit om zijn ideeën over scouting neer te schrijven en herwerkt zijn handboek zodat de ondertoon vredelievender wordt. Zijn nieuwe synthese heet “Scouting for Boys” en verschijnt in 1906. Hij haalt nieuwe elementen uit de werken van Seton waaronder de thematiek van de Woodcraft Indians.

Het eerste scoutskamp: de geboorte van scouting

De tijd is gekomen om zijn methodiek te testen op de jongeren en hij richt een kamp in voor Boy Scouts. In 1907 vertrekken 4 patrouilles onder leiding van Baden-Powell naar Brownsea Island, een verlaten eiland niet ver van Bornemouth. De eerste boy-scouts zijn een feit. Baden-Powell herwerkt zijn Scouting for Boys en introduceert tevens de scoutswet. Omdat de beweging zo’n grote vlucht kent, is men verplicht zich te organiseren. Een Boy Scout’s Office wordt ingericht en men verspreidt het tijdschriftje “The Scout” onder de leden. Ook meisjes hebben interesse voor deze nieuwe spelvorm en in 1909 gaan de Girl Guides van start. koekje

2. Scouting in België: BSB (1910-1914)

Het ontstaan van scouting in België is heel logisch te verklaren. Omdat scouting een Engelse creatie is, zal het ook binnen Anglicaanse genootschappen voor het eerst opgang maken. Omdat Brussel en Antwerpen een belangrijke commerciële functie hebben, tellen ze een grote populatie Engelsen. In die twee steden zullen scoutsgroepen vervolgens opgericht worden.

Open Scouting in Brussel

Een zekere W.W. Clarke, hoofd van de Anglicaanse gemeenschap in België, volgt de evolutie van scouting in Engeland op de voet en wil vervolgens een zelfde beweging introduceren bij zijn Anglicaanse jongeren. Hij vormt zo een eerste Boy Scouts patrouille onder leiding van Harold Parfitt, een 28-jarige Brit. Deze scoutsgroep speelt aanvankelijk in het Ter Kameren Bos en het Zoniënwoud waar hij opgemerkt wordt door Henri Depage, de zoon van Antoine Depage. Antoine Depage is dokter en tevens voorzitter van het Rode Kruis van België. Zijn zoon Henri wil dolgraag meedoen met de Boy Scouts en Antoine Depage stimuleert zijn goeie vriend Pierre Graux, een advocaat, om ook zijn zonen te laten inschrijven. Antoine en Pierre gaan zich ondertussen informeren bij Clarke en Parfitt over deze nieuwe pedagogische methode.

Antoine Depage en Pierre Graux treden snel toe tot het comité van de Boy Scouts patrouille en proberen de scouts financieel te steunen. Zij hebben een pluralistische opvoeding van de jeugd op het oog en opteren voor een nationale organisatie voor scouting in België. Het opgerichte comité gaat op zoek naar een nieuw lokaal en stelt Parfitt aan als Chief Scoutsmaster. 'Op 23 december 1910 wordt de Algemene Raad van Scouting in België opgericht en met een nieuwe naam: de Boy Scouts van België.' De eerste Algemene Raad bestaat zowel uit militairen als uit vertegenwoordigers van de liberale burgerij en van de conservatieve adel. Dit benadrukt nogmaals de pluralistische ingesteldheid van de organisatie.

Toch wijkt het Belgische model van scouting af van het Engelse voorbeeld. In de scoutsbelofte zweert men niet trouw aan God wat in Engeland wel het geval is. Tegenstanders van de Belgische Boy Scouts gebruiken dit als argument om de anti-klerikale houding van de beweging aan te tonen. Ook de leuze ”Be Prepared” wordt in België veranderd tot “Honour”. Op de eerste plaats staat dus de waardigheid van de scout en niet de trouw tegenover God. Het officiële kenteken is de vijfpuntige ster.

Na de oprichting van het comité en de nodige toestroming van financiën en schenkingen, krijgt onze Chief Scoutsmaster, Parfitt, de opdracht om een aantekenboekje voor de Boy Scout op te stellen, geschoeid op het Belgisch model. Hij leidt de eerste BSB-troep in Brussel. Op 18 juni 1911 wordt de eerste BSB-troep Honneur erkend door het Algemene Comité in het Ter Kamerenbos. Wegens de talloze kritieken op de scoutsbelofte, is de BSB in 1912 verplicht een regel toe te voegen waarin men wel trouw kan zweren aan God.

Open Scouting in Antwerpen

Een andere belangrijke stad in de geschiedenis van Open Scouting is Antwerpen. Ook in Antwerpen liggen Engelsen aan de basis van scouting. Een zekere Ziesmer leert scouting kennen tijdens zijn verblijf in Engeland. Hij spreekt vervolgens de Engelse professor in het Antwerpse lyceum, John Singleton, aan om dit experiment in Antwerpen op te starten. Vanaf januari 1911 leidt Singleton een scoutsgroep maar hij geraakt in conflict met de BSB. Singleton is immers van oordeel dat hij scouting in België heeft geïntroduceerd en weigert zich te onderwerpen aan het orgaan BSB. De BSB reageert verontwaardigd en stelt een andere persoon aan als commissaris voor Antwerpen. Een tweede troep in Antwerpen wordt geleid door Emile Kerkaert. Hij sluit zich wel aan bij de BSB en in juni 1912 worden zij erkend als de eerste BSB-groep van Antwerpen. Alhoewel Singleton al vroeger een scoutsgroep opstartte, zal zijn groep bekend staan als de tweede BSB-groep.

In 1913 zal de organisatie een eigen tijdschriftje hebben voor de aangesloten leden. “Le Scout” is de naam voor dit ledenblaadje en het bevat hoofdzakelijk nieuws over de organisatie, met soms aandacht voor plaatselijke BSB-troepen.

Open Scouting in Vlaanderen

Na Brussel en Antwerpen veroveren de scoutsgroepen heel Vlaanderen. Zo zien we in 1913 al 4 Antwerpse BSB-troepen. Gent zal vanaf 1913 twee BSB-troepen hebben onder leiding van een zekere Debliqui en Beaumont. Andere steden in Vlaanderen met een BSB-troep zijn Lier, Mechelen, Oostende en Sint-Niklaas.

Seascouting

Aanvankelijk spelen de Boy Scouts vooral in het bos waar ze sporen zoeken, kampen bouwen en de natuur exploreren. Omdat Singleton, wegens zijn onafhankelijke koers, wordt vervangen door Robert Osterrieth zal een andere methodiek zijn intrede doen bij de scoutsbeweging, namelijk het element water. Osterrieth is immers voorzitter van de Royal Yacht Club of Belgium waar men jonge mensen opleidt voor de marine. In de herfst van 1913 richt men de Sea Scouts van België op. De organisatie wordt geruggesteund door Oeuvre Royale Ibis in Oostende, Royal Yacht Club van België, Royal Sailing Club van Gent, de Belgische federatie van Zeenavigatie en de Antwerpse Zwem en Redding Vereeniging. In Oostende zal een SSB troep ingericht worden die in feite een apart onderdeel is binnen de BSB-troep van Oostende. We onthouden zeker Edouard De Cuyper en Jules Gioanorra als stuwende krachten binnen de zeescoutsgroep van Oostende. In Antwerpen zal Singleton de SSB-troep onder zijn hoede nemen.

Scouting met K

Ook de scoutsgedachte gaat bij de katholieken niet onopgemerkt voorbij. Eerst zullen zij zich hevig verzetten tegen de Belgische Boy Scouts maar omdat ze met lede ogen toezien hoe zeer de jeugd zich verheugt om scout te worden, besluiten zij het bestaande patronagesysteem om te vormen tot een katholieke scoutsbeweging. Al heel vroeg beslist BSB contact op te nemen met deze Belgische Katholieke Scoutsgroep maar deze weigert elke dialoog en wil geen aparte organisatie worden binnen de BSB. BSB zal nog geregeld pogingen ondernemen om deze katholieke zuil binnen scouting tot andere gedachten te brengen.

3. WO I (1914-1919)

Tijdens de oorlog

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. We vermelden vooral de impact van de Groote Oorlog voor het Vlaamse landsgedeelte. De verschillende scoutsgroepen in Vlaanderen worden vooral ingezet voor diverse taken bij de politie en bij de brandweer. Ze helpen mee in ziekenhuizen en in de administratie. In Antwerpen worden de BSB-troepen gereorganiseerd door Kerkaert, Master van de 1e troep, omdat Shillingford en West, Masters van de 2de en 3de troep, naar Groot-Brittanië gaan. Het kampeermateriaal van de scoutsgroepen wordt opgeëist door het leger. Na WO I bestaan er geen BSB-troepen meer in Antwerpen. Ook Oostende verliest haar leiders zoals Gioannora en Bayens. Zij overleven wel de oorlog maar zijn fysiek zwaar gehavend. Omdat het verzet in België groeit, zullen ook twee verschillende strekkingen ontstaan binnen de Belgische Boy Scouts. De ene partij vindt dat men trouw moet blijven aan het vaderland en dit impliceert het stopzetten van alle activiteiten en het afleggen van het uniform. De andere partij wil heldendaden verrichten en weigert zijn uniform op te bergen. Pas in de zomer van 1915 zien we toch één soort scouting naar buiten treden. Op 25 juli 1915 organiseren ze een mars van het Ter Kameren Bos naar het kerkplein van Sint-Gillis. De Duitse bezetters beschouwen dit als provocatie en gaan de scoutsbeweging systematisch viseren. Sommigen worden zelfs opgepakt wegens verzetsdaden. Men verbiedt voortaan het dragen van een uniform en Graux legt zich neer bij die beslissing.

Deze passieve en “comateuze” houding van de BSB, zorgt ervoor dat nieuwe groeperingen het levenslicht zien als reactie op deze laffe houding. Zo richten Gustave Bouvé en Gaston Haelbrecht “Eclaireurs et pionnières de Belgique” (E.B.) op. Zij zullen actief de hulpinstanties steunen en kennen zelfs een vrouwenafdeling. De beweging heeft één missie: scouting herstellen en hulp leveren waar mogelijk. Wegens de grote groei van de beweging, besluit Graux om contact op te nemen met graaf Louis d’Oultremont, commissaris van het comité van de E.B. Zij besluiten om voortaan samen te werken maar BSB is verplicht om haar insigne te wijzigen en een nieuw devies te aanvaarden. Een nieuw reglement wordt neergeschreven op 1 januari 1918. In Antwerpen leidt een zekere Marcel Morissen een eigen scoutsgroep, de Morissentroep. Deze Morissen was aanvankelijk lid van de 3de BSB-groep in Antwerpen. Zijn groep zal na de oorlog opgeslokt worden door de BSB-troepen. In Gent vermelden we nog “Le Lion de Flandre” met aan het hoofd een zekere Van Steenkiste.

De bevrijding

Na de bevrijding gaan de Belgische Boy Scouts opnieuw hun uniform dragen maar de toestand van de BSB-troepen is kritiek. De meeste groepen zijn ontbonden en andere troepen doen er enkele maanden over om opnieuw te starten. In Oostende hervat men de activiteiten in november 1918, maar de SSB-groep blijft op non-actief. In Gent en Lier gaat men van start in 1919 terwijl Sint-Niklaas nog later begint. Ook in Mechelen probeert men de scoutsgroep nieuw leven in te blazen.

Antwerpen kent een veel moeilijker begin. We zien in november 1918 een comité waarin Peeters, Morissen en Van Cauter zetelen. Ook Cuperus en Thienpondt sluiten zich hierbij aan. Dit comité heeft echter weinig vat op de Antwerpse eenheden. Dit veroorzaakt verbrokkeling en slecht georganiseerde jeugdgroepen scheuren zich af. Morissen contacteert de E.B. en sluit zich bij deze nieuwe beweging aan. Van Cauter echter vormt een fractie van getrouwen en begint een nieuwe BSB-troep, geïsoleerd van de rest en onafhankelijk. De overige troepen maken de overstap naar de E.B.

Alhoewel BSB en E.B. al toenaderingspogingen ondernemen, blijft de EB min of meer haar eigen koers varen. In januari 1919 publiceren ze een eigen tijdschrift “L’éclaireur”. In het tijdschrift drukt men duidelijk uit dat samenwerken naar een unificatie van de verschillende federaties het hoogste doel is zonder opdeling in politieke of religieuze fractries. Men voegt er tevens aan toe dat men bereid is zich te verenigen met elke federatie die hetzelfde gedachtegoed nastreeft. Het vertrek van Bouvé vergemakkelijkt de besprekingen tussen de BSB en de E.B. In april 1919 bereikt men een akkoord en graaf d’Oultremont zal deel uitmaken van de Algemene Raad van de BSB. Ook andere E.B.’ers maken de overstap en vervoegen de BSB.

Een nieuwe start

Jean Droit (1884-1961) Totem: Loup Bavard

1919 is een bijzonder jaar voor Open Scouting in België. De scoutsgroepen kennen een enorme bloei wegens de diensten die ze verleenden tijdens WO I. Omdat scouting een Britse uitvinding is met een sterk patriottische en militaire inslag, sluiten vele jongeren zich aan. Het comité van de BSB verenigt zowel liberalen, als katholieken en protestanten. Het tijdschrift “Le Scout” verschijnt terug en men stelt Jean Droit aan als vaste huistekenaar. De BSB beslist om vaste nummers te geven aan de BSB-troepen volgens hun chronologische orde van aansluiting. Dit vermijdt voortaan elke verwarring. Voortaan spreekt men niet meer van de 1ste BSB-groep in Gent maar van de 24e BSB-groep in Gent. Belgische Boy Scouts die tijdens WO I in het buitenland vertoefden, introduceren nieuwe technieken en ideeën. In 1920 herdenkt de vereniging feestelijk haar 10-jarig bestaan en dit wordt gevierd met een enorme verzameling in het Ter Kamerenbos. Ook Vlaamse troepen uit Antwerpen, Mechelen en Gent zijn aanwezig. De situatie voor de Vlaamse BSB-troepen is in 1920 veel rooskleuriger. De 4 BSB troepen in Antwerpen zijn weer actief en de troepen die zich hadden afgescheurd, sluiten zich opnieuw aan. De 3e troep in Antwerpen kent zelf een sectie van Girl Guides en een sectie van Sea Scouts. Ook in Gent sluit Lion des Flandres, waaronder Edouard en Robert Blondeel, zich aan bij de BSB.

4. Girl Guides van België (1919)

Baden Powell publiceert een eerste werk over Girl Guiding in februari 1918. Zijn vrouw, Olave Baden-Powell, zal hierin een prominente rol spelen. Zij leidt een Internationale Raad die zal uitmonden in een Internationale Conferentie. Ook in België zien we meisjes die de “boys” imiteren.

Een eerste troep van meisjes werd al in oktober 1911 opgericht, namelijk de bijenpatrouille. De patrouilleleidster is Lucie Graux, maar ze worden niet ernstig genomen. Door de aansluiting van de E.B. zal de gidsenbeweging binnen de BSB een duidelijke vorm krijgen. Linette Brunard schrijft een brief naar de Engelse organisatie van de Girl Guides. Zij gaat zelfs te rade bij Verpoorten die bij de katholieken de gidsenbeweging coördineert. Een eerste officiële vergadering heeft plaats op 17 december 1919. Op 14 januari 1920 past een voorlopig comité het BSB-reglement aan en schrijft men de organisatie uit voor de toekomstige Girl Guides van België. Het devies luidt “Altijd mijn plicht” en een nieuw insigne wordt uitgetekend.

In Vlaanderen zien we de eerste GGB-troepen uiteraard opduiken in de steden die al vertrouwd zijn met scouting. De gidsen van Oostende gaan in de lente van 1919 van start. Lier en Antwerpen beginnen met een gidsengroep in 1921.

5. 1920-1964

Over de periode van 1920-1945 is er slechts heel weinig gepubliceerd, op een twee proefschriften na: eentje van Renaud De Cock (oud-archivaris van SGP) over de federatie tijdens WO II en een proefschrift van een zekere Hovertin. De archieven van SGP moeten dienaangaande nog ontsloten worden.

Het interbellum

Na de fusie met de E.B. ontwikkelt Open Scouting zich zeer snel. Het officiële kenteken is voortaan een Belgische leeuw op een lelievormig schild. De spreuk luidt: Toujours Pret – Steeds Bereid. In 1923 worden de vier verschillende takken opgericht, namelijk de welpen, de scouts, de sea-scouts en de voortrekkers. De hoofdcommissaris is Louis Picalausa die aanvankelijk leider van de BSB-troep in Seraing, maar al heel vroeg zijn engagement opneemt op nationaal niveau. Picalausa is tevens directeur van het Rode Kruis van België en hij schakelt meermaals BSB-troepen in om het Rode Kruis en andere hulporganisaties te helpen. Ook zal men herhaaldelijk geld inzamelen voor de minstbedeelden. Picalausa geeft Open Scouting een maatschappelijke invulling en zal zijn boy-scouts aanmoedigen om iedereen te helpen waar mogelijk.

WO II

Louis-Clément Picalausa (1898-1969) Totem: Plume de fléche

Na nog geen 20 jaar van vrede in Europa, breekt een nieuwe wereldoorlog uit die een grotere impact zal hebben op de Belgische Scoutsbeweging. Opnieuw worden heel wat leiders gemobiliseerd, terwijl verkenners worden ingezet om te fungeren als boodschappers voor politie en hulporganisaties. Alhoewel de verschillende scoutstroepen blijven bestaan, zijn de activiteiten erg gestoord en worden ze vaak geschorst. Tijdens de oorlog zoeken de scoutverenigingen van België – VVKS, FSC en BSB – contact en bieden hulp aan het opgerichte “Winterhulp”, dat tot doel had te voorzien in materiële hulp aan noodlijdenden. Wanneer een bijeenkomst van het Belgisch Federaal Bureau, het contactorganisme tussen de drie Belgische federaties, op 10 juli 1940 plaats heeft, zijn Graux en Picalausa echter van mening dat BSB haar activiteiten moet stopzetten. De VVKS wil echter verder bijstand verlenen, terwijl FSC een eerder besluiteloze houding aanneemt. Intussen willen de Duitsers alle Belgische jeugdverenigingen verenigen. Men neemt vooral contact op met de VVKS omdat het grote ledenaantal en het uitgesproken Vlaamse karakter de bezetter wel aanspreekt. De Duitsers slagen er wel in om Vlaamse jeugdverenigingen te verenigen onder de noemer “Nationaal Socialistische Jeugdbeweging”, maar hiertoe behoren vooral extreemrechtse groeperingen. De VVKS zal zich hierbij nooit aansluiten. Omdat scoutsgroepen zich verzetten tegen deze nieuwe jeugdbeweging, verbieden de Duitsers voortaan alle vergaderingen en kampen van niet Duitsgezinde jeugdbewegingen. Ook het dragen van kentekens wordt uitdrukkelijk verboden en in april 1943 legt men een definitief verbod op het dragen van een uniform. Deze maatregelen hebben tot gevolg dat heel wat scoutsgroepen hun activiteiten staken of zelfs besluiten tot ontbinding. Na het beëindigen van de vijandelijkheden in mei 1945, komen de activiteiten van scouts en gidsen opnieuw langzaam op gang.

Ontstaan BSB-GGB

Op 3 juli 1945 besluiten de twee aparte organisaties van boy scouts en gidsen, de BSB en GGB, de handen in elkaar te slaan en een gezamenlijke vereniging te vormen, de BSB-GGB. De twee groeperingen blijven echter wel bestaan en kennen elk een afzonderlijke commissaris. Ook gaan ze geen nieuw insigne creëren en behouden ze dus elk hun eigen kenteken. De voordelen van een fusie zijn belangrijk: tegenover ouders, scholen en autoriteiten kan men zich opstellen als één enkele organisatie met éénzelfde doel:

  1. de administratiekosten verminderen gevoelig
  2. training en vorming kan men samen organiseren
  3. men kan genieten van dezelfde kampterreinen en opleidingscentra

De naoorlogse jaren

Ook in Congo, toen een kolonie van België, zijn er BSB-groepen actief, samen ongeveer een 450 leden. De BSB-GGB telt ongeveer 10.000 scouts en 4000 gidsen. Toch kent de scoutsbeweging een gevoelige achteruitgang in ledenaantal in de naoorlogse jaren. Men wijdt dit aan een gebrek aan leiders en een slechte vorming van de leiders. Er is weinig contact met de plaatselijke groepen omdat de federatie zich vooral concentreert op de eigen werking en de interne structuur. De organisatie werkt zoals een regeringsorgaan met talloze afzonderlijke werkgroepjes en verschillende vergaderingen. Men lanceert een enquête om de bekoeling en de reden van achteruitgang te verklaren. Men merkt op dat de rekrutering van nieuwe leden gebeurt via een tussenpersoon. Men gaat niet meer naar scholen om leden te werven. Daarnaast verhinderen verschillende obstakels de aansluiting van nieuwe leden: de concurrentie van andere jeugdbewegingen, naschoolse of familiale activiteiten, het risico van scoutsactiviteiten. De activiteiten hebben ook plaats in het weekend, een periode van rust en van familiale aangelegenheden. Bovendien zijn jongens en meisjes nog steeds gescheiden en zoeken de jongeren elkaar liever op in de cinema of in dancings. Anderen verwijten de scoutsbeweging haar gebrek aan politiek engagement of associëren uniformen nog met de verschrikking van het fascistische gedachtegoed. Men komt tot de conclusie dat de beweging immobiel is geworden en te weinig inspeelt op de omgeving van de hedendaagse jeugd. In Vlaanderen kent de beweging echter weinig achteruitgang en groeit zelfs. We onderscheiden verschillende regio’s in Vlaanderen:

  1. 3 regio’s in West-Vlaanderen: Brugge, Kortrijk, Oostende
  2. 3 regio’s in Antwerpen: Antwerpen, Mechelen en Lier
  3. 2 regio’s in Oost-Vlaanderen: Gent en Dendermonde

Er duiken tevens voorposteenheden op. Dit zijn geïsoleerde eenheden die zich bevinden in een nog niet bestaande regio en dus scouting moeten implementeren in nog niet ontgonnen gebieden. Hiertoe behoren Tienen, Sint-Truiden, Landen, Aarschot en Bonheiden. Samenwerking en contacten met andere scoutsgroeperingen in België gebeurt via de Interfederale Scoutsbond van België.

6. De splitsing: BSB-GGB: FOS en FEE (1964-1966)

Er doen zich al een aantal jaren moeilijkheden voor binnen de federatie van Boy Scouts in België. De Vlamingen voelen zich duidelijk achteruitgesteld en de gemoederen worden zeker aangewakkerd door de voorstellen van Jacques Janart, de toenmalige hoofdcommissaris. Dirk De Valckenaere polst bij de Vlamingen om een stevige achterban te krijgen. De strubbelingen binnen BSB gaan gepaard met het ontslag van Grignard, de commissaris van de voorposteenheden en Delacroix, voorzitter van het steuncomité van het gewest Hageland. Op de AV in november 1964 uiten de de Antwerpse BSB-eenheden openlijk hun kritiek en klagen over de minderheid van Vlaamse vertegenwoordiging op de AV. Sommige eenheden weigeren nog hun aansluitingsgeld te betalen. Jules Demeyer, Frans Snacken, Dirk De Valckenaere en Roger Grignard dienen een motie in bij de Nationale Raad. Ze eisen een splitsing in twee gescheiden verenigingen. De Nationale Raad stemt toe maar voor de Antwerpse eenheden is dit nog niet genoeg. Zij eisen een complete autonomie voor de twee verenigingen met een afzonderlijk Algemeen Reglement.

De 4 Vlamingen lanceren een nieuw voorstel: splitsing in twee soevereine scoutsbewegingen met eigen naam en kenteken. De BSB-GGB blijft bestaan als coördinatieorgaan en is tevens een ontmoetingsplaats voor de federaties die Open Scouting belichamen.

De AV van 1964 keurt uiteindelijk een grotere taalautonomie goed voor beide taalvleugels. Een eigen technisch en administratief bestuur wordt opgericht. Frans Snacken en Jane Vandervelde zijn de nieuwe hoofdcommisarissen voor de Vlaamse taalsectie en een secretariaat wordt geïnstalleerd in Gent op de Elisabethlaan. Na een jaar wordt het project geëvalueerd. Men kiest voor een nog grotere autonomie met twee aparte vzw’s. De Nationale Raad is hiertegen gekant en wil slechts een ruime autonomie voor de beide taalgemeenschappen goedkeuren. Toch besluit men om twee autonome federaties met een eigen juridisch statuut op te richten. De splitsing is langzaam een feit en men richt een AV in om de oude structuur op te heffen, een AV om de Vlaamse federatie op te richten en een AV om de koepel BSB-GGB vervolgens verder in te vullen. Er zijn 3 voorstellen voor de naam van de nieuwe federatie:

  • Federatie van scouts en gidsen
  • Vlaamse Scouts en Gidsen
  • Federatie voor Open Scoutisme

Op 23 en 24 april 1966 is de splitsing een feit en verschijnen de nieuwe statuten vervolgens in het Staatsblad.

7. Het prille begin van de 'Federatie voor Open Scoutisme'

Na de mandaatneerlegging van Frans Snacken, vervoegt Frans Mertens het federaal commissariaat. Aan het begin van het nieuwe werkjaar, onder het jaarthema “Wees Creatief”, telt FOS 1500 leden. De Valckenaere wordt aangesteld als gedetacheerde. Zijn takenpakket: vorming van de leiding, contact onderhouden met de overheid en werken aan expansie. Hij verzorgt de tijdschriften en de andere publicaties en staat de hoofdcommissaris bij op pedagogisch vlak. Hij publiceert voor de leiders een “Informatieblad (I.B.)” en voor de jongeren verschijnt “TOTEM”.

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. In de jaren 60 verliep de samenwerking tussen BSB en de zeescoutseenheden al een tijdje stroef. De reden was gebrekkige communicatie en discussie over autonomie. De SSB verlangt naar een afzonderlijk Nationaal District maar dit wordt geweigerd. Er wordt wel een Departement ingericht voor zeescoutsgroepen dat een eigen commissaris heeft en een gedeeltelijke financiële autonomie. Tijdens de splitsing ziet de SSB geen graten in de autonomie van de taalgroepen. Snacken ziet zelfs gunstige ontwikkelingen voor de Sea Scouts. Toch heeft de SSB twijfels en men vreest dat Sea Scouting zal gedegradeerd worden tot een specialisatie. Men wil het Departement zeker behouden maar op de Vlootraad wordt hun angst gevoed door de Franstalige SSB-groepen die beweren dat de herstructurering al in negatieve zin merkbaar is. De SSB-groepen beslissen om een onafhankelijke koers te varen en vestigen een eigen secretariaat in Oostende. Aan het hoofd staat Etienne De Clercq. Daardoor verliezen ze de erkenning van de Interfederale Scoutsbond van België. Een aantal zeescoutseenheden blijft de nieuwe vereniging FOS trouw.

Na de splitsing gaat FOS de discussie aan met VVKS en men verstevigt de samenwerking. Het resultaat is een gezamenlijke woodbadgecursus en men onderzoekt nog mogelijkheden tot een nauwere samenwerking. Mogelijke realisaties zijn leiderscursussen, gezamenlijke jaarthema’s, gelijkvormigheid in structuur, een gemeenschappelijk tijdschrift. Men heeft zelfs plannen om één scoutsbeweging in Vlaanderen op te richten volgens een aantal principes:

  • Eén open-pluralistische beweging waarin zowel ideologisch gerichte als open groepen kunnen voorkomen
  • Herdenken van structuur, beheer, methode, beleid, programma en terminologie
  • Onderzoeken van de respons van de achterban
  • Mogelijkheid tot integratie van andere organisaties in Vlaanderen

Niet iedereen is echter enthousiast en Snacken formuleert grondig zijn bedenkingen bij deze evolutie. In april 1972 wordt het plan op de Grote Raad voorgelegd en aanvankelijk reageert men positief. Het plan sterft echter een stille dood.

8. FOS groeit verder uit

De jaren ‘70 worden vooral gekenmerkt door talloze expansieprojecten om zo de federatie meer uitstraling en inhoud te geven. Zo heb je de actie “+ 20” waarbij deelnemende eenheden beloond worden indien ze het volgende scoutsjaar 20 nieuwe leden kunnen presenteren. Men gaat ervan uit dat het beter is om bestaande eenheden uit te bouwen, dan nieuwe eenheden op te richten. In deze periode maakt FOS ook plannen om een eigen terrein aan te kopen en men vindt een eigenaar van een privéterrein in Laarne, bereid zijn terrein gratis in bruikleen te geven. Er moeten wel vaste en occasionele activiteiten plaatsvinden.

Midden jaren ‘70 is er wel kritiek op de slechte doorstroming en het gebrek aan contact met de basis. Cursussen moeten beter georganiseerd worden en nationale evenementen dienen aantrekkelijker te worden. Een nieuw expansiebeleid krijgt de naam “3x7”. Het principe is heel eenvoudig: in drie verschillende takken moet men 7 nieuwe leden kunnen werven. Als beloning krijgt men een waardebon voor de aankoop van sport- of kampmateriaal.

In 1978 lanceert men het Witboek dat ernaar streeft om een progressief beleid en de mogelijkheid van betaalde werkkrachten vorm te geven. Men behandelt de structuur en de werking en men zoekt naar oplossingen. Zo wil men permanente medewerkers aannemen en het beleid van de afgelopen drie jaar voortzetten: expansie en studiewerk, subsidieaanpak, vorming en takbegeleiding en voortzetten van de publicaties. Voortaan moet een hoofdcommissaris fulltime kunnen werken en wil men verouderde namen vervangen door namen die in het jeugdnetwerk minder aanleiding kunnen geven tot begripsverwarring.

FOS lanceert tevens het BTK-project waarin een Bijzonder Tijdelijk Kader onderzoekt wat de redenen zijn bij jongens en meisjes voor participatie of non-participatie in Open Scouting. Een ander initiatief is het Planboek met een planning van het beleid voor een lange termijn, namelijk van 1979 tot 1985. In 1976 richt men TRAVO of Training en Vorming op die de huidige leiders moet vormen. Ook is in 1978 de tijd rijp om zich te verzoenen met de SSB-eenheden. Men erkent elkaars autonomie en men zoekt naar een middel om samen te werken zonder dat die de autonomie in gevaar brengt. Het Nautisch Departement, waar de zeescoutsgroepen samenkomen die in 1966 de overstap naar FOS deden, juicht dit toe. Toch is het slechts na een vernieuwing van het bestuur binnen de SSB dat men de gesprekken kan aanknopen. Eind 1980 gaan alle nederlandstalige SSB-eenheden over in FOS.

9. FOS op weg naar de 21ste eeuw

FOS wordt vanaf 1980 een echte professionele organisatie die wel werkt met vrijwilligers maar wordt ondersteund door een beperkt team van beroepsmensen. Zo kan het beleid veel efficiënter ingevuld worden en kan men op een hogere versnelling draaien. We hebben al het Witboek vermeld dat een eerste stap is in die ontwikkeling. Heel concreet legt het Witboek de volgende objectieven vast:

  • De voorzitter van de federatie wordt door de AV benoemd
  • Een full-time hoofdcommissaris die in dienstverband werkt
  • De beleidsvergadering bestaat voortaan uit de hoofdcommissaris, vertegenwoordigers van de gewesten, de verantwoordelijke voor de vorming, het nautisch departement en de internationale commissarissen.
  • Het dagelijks bestuur bestaat uit de mensen van de Raad van Beheer, de beleidsvergadering en de voorzitter van de federatie.

Een volgend initiatief is het Planboek FOS 79-82-85 dat een beleid uitstippelt voor de komende 6 jaren. Dit Planboek moet een grotere continuïteit in het beleid vastleggen, de basis betrekken bij belangrijke beslissingen en de identiteit van Open Scoutisme benadrukken. Omdat de Coöperatieve van Heure, een terrein dat nog steeds door BSB-GGB wordt uitgebaat, niet gunstig verloopt en bovendien verlieslatend is, sticht FOS in 1983 een nieuwe vzw voor het beheer van de FOS-domeinen. De vzw krijgt de naam Infra-FOS en kiest als eerste voorzitter Jan Waeghe. In die periode behoort enkel de Fiertel in Ronse tot de FOS-domeinen. Later zal de Valk in Laarne eveneens door Infra-FOS uitgebaat worden.

In de jaren ’90 gaat FOS op de ingeslagen weg verder. Een verdere professionalisering wordt uitgedokterd en vervolgens gelanceerd zodat het imago verder kan uitgebouwd worden en FOS korter op de bal kan spelen. Verschillende werkgroepjes, die een specifieke opdracht vervullen in het kader van Jeugdwerk en van interne en externe profilering, zien in die periode het levenslicht

Zo lanceert men de Follow Up Cursus, kortweg FUC - een kleinschalige cursus - rond een afgebakend onderwerp en bestemt voor een specifieke doelgroep. Enkele voorbeelden zijn FUC Seniors, FUC management en FUC communicatie. TRAVO organiseert een intake om nieuwe medewerkes te werven voor de vormingsploeg en richt vervolgens haar cursussen in per provincie. Een nieuwe ploeg externe relaties (PER) gaat van start op 27 januari 1992 om zo de internationale evenementen beter te begeleiden. Een aantal internationale initiatieven zijn: een JOTA voor radio-amateurs, Intercamp, Postbox om te corresponderen met buitenlandse scouts en uiteraard de organisatie van de jamborees. Niettemin loopt de public relations van FOS nog steeds mank en een poging om een landelijke coördinatieploeg op poten te zetten mislukt. Men schrijft sneuvelteksten neer over de visie op de toekomst van FOS. Men wil de bedoelingen en de evolutie van de federatie gestalte geven in functie van de evoluerende noden van de maatschappij. Vervolgens richt men een vzw op om de verkoop van FOS-producten op een efficiënte manier op te vangen. Deze vzw krijgt de naam FOS-shop. De ploeg Spelzaken wordt nieuw leven ingeblazen en bestaat voortaan uit de vormingsverantwoordelijke, provinciale vertegenwoordigers en geïnteresseerde vrijwilligers. De ploeg heeft drie objectieven: een werkgroep Welpen opstarten, de scoutstechnieken uitwerken en actualiseren en de handboeken voor JVG’s en VG’s moderniseren. Een andere werkgroep rond de Wet en Belofte werkt een belofte en ceremonie uit voor elke leeftijdsgroep waarin men zowel filosofische als pedagogische criteria met elkaar verzoent. Toch slaagt men er voorlopig niet in om handboeken te schrijven voor de verschillende takken. De ploeg Spelzaken beperkt zich voorlopig tot de ontwikkeling van diverse spelen. In 1994 richt men een Nationale Welpendag in (NAWELDA), een massabijeenkomst voor Welpen en welpenleiding. Dit initiatief had al 20 jaar niet meer plaatsgevonden. Het project rond expansie leidt tot een nieuwe ploeg expansie die Open Scouting moet lanceren in Vlaanderen en vooral in streken waar nog geen FOS-groepen zijn. TRAVO beslist om de cursussen niet meer provinciaal te organiseren en uitsluitend federale vormingscursussen in te richten. De sneuvelteksten omtrent openheid en de toekomst van FOS binnen de huidige maatschappij, zullen ingevuld worden door de STAR-ploeg wat staat voor Statuten en Algemeen Reglement. Deze ploeg formuleert visies over openheid en wil volgende opdrachten verwezenlijken: scouting inhoudelijk en methodisch invullen, interne en externe communicatie bevorderen, openheid en maatschappelijk engagement uitdragen en expansie stimuleren. Om nieuwe eenheden op te richten en nieuwe leden te ronselen lanceert de ploeg Expansie het Adventure-team. Dit team moet jonge mensen laten proeven van scouting door avontuurlijke en uitdagende spelen uit te werken via een promotiestand. Het migrantenproject zal verder uitgewerkt worden door de ploeg Multicultureel. Bestaande eenheden laten migranten en kansarmen kennis maken met scouting door hen mee te nemen op kamp. Men richt Koloroj-dagen in om eenheden een bredere en tolerantere houding tegenover andere culturen aan te leren. Een Public Relations ploeg gaat deze keer echt van start om toch het imago te verzorgen, wat lange tijd het zwakke broertje was van FOS. Zij worden geruggesteund door FOS-Net, een klein ploegje dat de federatie op het Internet zet.

Toch zijn niet alle initiatieven even succesvol en bloeden sommige ploegjes dood wegens te geringe interesse. De ploeg Spelzaken slaagt er maar niet in om op maat gesneden handboeken te publiceren en een ploeg rond technieken begint heel enthousiast maar concrete resultaten blijven uit.


Het scoutsjaar 1999-2000 begint met een valse noot. De federaal verantwoordelijke, Rudi Goyvaerts, neemt ontslag en niemand is bereid om hem op te volgen. Zijn assistente, Elsie Geirnaert, neemt tijdelijk de functie waar, maar de federatie heeft gedurende één jaar geen FV. Omdat het landelijk kantoor in Laarne wel landelijk maar niet ideaal is gelegen en onbereikbaar is voor vele eenheden, gaat men op zoek naar een nieuwe erg praktische locatie. Het project “Blue Bayou” zorgt ervoor dat het kantoor opnieuw naar Gent verhuist. Momenteel kan men het kantoor terugvinden op de Kortrijksesteenweg 639, op nog geen 200 meter van het Sint-Pietersstation. De ploeg Expansie is verplicht zich te hervormen en werkt voortaan met een klein kernteam dat alle ontwikkelingen opvolgt en zeer projectmatig werkt. Voor elk nieuw project of voor elke nieuwe eenheid richt men een ad hoc groepje op. De PR-ploeg boekt haar eerste resultaten: FOS lanceert een eigen huisstijl en zal deze stijl gebruiken voor stickers, affiches, publicaties en briefhoofden. Naar aanleiding van een nieuw millenium, houdt men FOS-kamp 2000 voor alle Vlaamse eenheden. Een nieuwe wind waait door de publicaties en de vertrouwde “Totem” wordt vervangen door drie leeftijdsgebonden tijdschriftjes: Yalahi (bevers-welpen), Adjidji (JVG’s-VG’s) en Fossiel (seniors-leiding). De Ibee blijft het informatieblad bij uitstek over de federatie. Om de ouders in te lichten verspreidt men een Totem voor ouders. TRAVO is eveneens gevoelig voor de milleniumkriebel en hervat de seniorcursussen om zo de toekomstige leiders te inspireren. We kennen ze beter onder de titel TOKA (toekomstig kader) en TOKAM (toekomstig kader voor seniormoderators). Omdat een aantal ploegjes (zoals FOS-Net, PR en Publicaties) ongeveer dezelfde doelstellingen hebben, zal men ze voortaan groeperen onder de noemer Ploeg Communicatie. Men verandert het concept van de Grote Raad dat voortaan meer infogericht is. Men discussieert over bepaalde onderwerpen door de eenheden zelf aangegeven en men houdt workshops. De vzw Scouting Vlaanderen, reeds opgericht in 1990, richt zich op het archiefbeheer van de Open Scoutsbeweging in het algemeen en FOS in het bijzonder. Een studentarchivaris wordt aangetrokken die in het kader van haar eindwerk de aanzet zal geven tot het inventariseren van de nog beschikbare archieven. De PER-ploeg wordt ploeg Internationaal.

Men besluit nogmaals de samenstelling van het beleid te wijzigen. Voortaan vaardigt elke provincie en elke federale ploeg 1 persoon af. Het federale bestuur zetelt met 2 personen, terwijl het FOS4U-team, de benaming voor de vaste krachten van het landelijk kantoor, niet meer vertegenwoordigd is. Een nieuwe ploeg Programma probeert het pedagogisch programma verder inhoudelijk uit te tekenen. Deze ploeg begint zeer ambitieus en publiceert haar eerste resultaten in “de fundamenten van Open Scouting”. Daarnaast wil TRAVO de FUC-cursussen omvormen tot één geheel. Voortaan kan men op een vormingsweekend zelf kiezen over welk onderwerp men iets meer te weten wil komen. TRAVO XL biedt vorming à la carte. Toch kent FOS in 2002 een valse noot. Wegens een financieel verlies is men verplicht een prioriteitendebat te houden. De nieuwe tijdschriftjes zoals Yalahi, Adjidji en Fossiel moeten eraan geloven en worden niet meer uitgegeven. Zelfs de IB moet inbinden en een Fossiel Nieuwsbrief verkondigt voortaan de aankondigingen en de heet-van-de-naald nieuwsberichten.

Vanaf hier is een update van het artikel zeker wenselijk.

De Raad van Bestuur kampt al verschillende jaren met hetzelfde probleem: te weinig jonge Fossers durven het aan hun kandidatuur te stellen voor een mandaat. Men staat zeker open voor nieuw bloed maar blijkbaar schrikt de wat zwaardere bestuursmaterie nieuwe jonge mensen af. De verkiezing van een FV in 2004 verloopt ook problematisch en de ontslagnemende Serge Devriendt neemt zijn functie weer op zich. Hij aanvaardt een mandaat voor twee jaar maar legt in februari 2005 zijn mandaat neer. Op de AV van 26 februari wordt Frank Vandenbussche als nieuwe FV naar voor geschoven. Inmiddels ontvangt FOS weer toenaderingssignalen van VVKSM. Deze katholieke scoutsorganisatie profileert zich meer en meer als pluralistisch en stelt hun “K” in vraag. Dit gegeven zorgt ervoor dat FOS zich vragen stelt over de toekomst van open scouting in Vlaanderen. Men geeft nu absolute prioriteit aan de uitwerking van ons actief pluralistisch project. Daarnaast heeft FOS nieuwe statuten gestemd en een nieuwe federale structuur goedgekeurd die enorm vernieuwend zullen zijn en zeker haar vruchten zullen afwerpen in de toekomst.

De activiteiten in het kader van 100 jaar scouting in 2006-2007 zijn voelbaar binnen de huidige werking. Zo heeft men een jaarthemaroute ontwikkeld voor drie jaar en lanceert men elk jaar een nieuw jaarthema (vroeger gebeurde dit slechts om de twee jaar). Vervolgens wordt een stuurgroep samengesteld die FOS actief betrekt binnen de viering en een aantal initiatieven uitdenkt in het kader van 100 jaar scouting.

Er wordt een budget vrijgemaakt voor twee projectleiders. Zo heeft de ploeg Programma takwerkploegen gevormd die voor elke tak één product uitwerken. Een nieuwe wending is bovendien de integratie van de ploegen Diversiteit (de vroegere ploeg Multicultureel) en Internationaal in het kernteam van de ploeg Programma. Scouting Vlaanderen wordt dan weer financieel geruggesteund door de Vlaamse Gemeenschap om het ingediende project “de revitalisering van het collectieve geheugen”, dat erop gericht is het culturele erfgoed van Open Scouting in Vlaanderen in kaart te brengen en vervolgens op te waarderen, uit te werken. Het tijdschrift “Fossiel” kent een nieuwe invulling en is voortaan een handige map met losse bladen, gekleurd per thema. Men vertrekt vanuit het standpunt “alles wat in Fossiel staat moet doordacht, verstaanbaar en bruikbaar zijn voor leiding”.