Junglebook: begeleidingstips

Uit FOSwiki

Het al dan niet slagen van is spel is zeker ook vaak afhankelijk van de houding die de spelbegeleid(st)er aanneemt. Een gouden regel is en blijft: “Wie niets doet, doet niets verkeerd”. Vrij vertaald betekent dit dat je kan leren uit ervaringen. Deze ervaringen krijg je maar door het te doen en het steeds opnieuw te doen zodat je het begeleiden van spelen gaandeweg in de vingers krijgt. In dit gedeelte geven we je hiervoor wat bagage mee. We presenteren je een lijst met begeleidingstips. Sommigen daarvan zijn heel praktisch van aard, anderen hebben dan weer te maken met geweldloos omgaan met mekaar.


1. Het is belangrijk dat je de spelen die je gaat gebruiken, plant en dat je duidelijk weet waarom je dat specifieke speelt . Je speelt dus best geen confrontatiespel in een groep als je weet dat er conflicten zijn die de groep niet aankan.


2. Houd bij die planning rekening met de groep (aantal, leeftijd, samenstelling), de ruimte waarover je beschikt (grootte, sfeer), het materiaal dat je nodig hebt, en ook de tijd waarover je beschikt.


3. Maak op voorhand een klein programma met wat je van plan bent te doen, en dit vooraleer de spelen te beginnen. Op die manier verlies je geen tijd door tussen de spelen door nog te moeten zoeken welk spel je nu gaat spelen.


4. Lees de stemming van de jongeren af en weet zo wanneer ze een rustig spel nodig hebben of wanneer ze teveel energie hebben en ze dus beter een meer actief spel spelen. Pas het spel aan de groep aan en niet omgekeerd.


5. Het is ook belangrijk dat je de deelnemers betrekt bij het nemen van beslissingen. Je kan dat op vele verschillende manieren door, door bv. vooraf een maand of een jaarprogramma met hen te bespreken.


6. Wanneer je de deelnemers een nieuw spel aanleert, geef dan geen lange en ingewikkelde beschrijvingen. Zorg voor een logische en gestructureerde uitleg, doe voor wat de spelers moeten doen en laat ruimte om vragen te stellen.


7. Als je een centrale figuur moet kiezen voor de spelen, speel dan enkele kiesspelletjes. Probeer er bewust voor te zorgen dat niet altijd dezelfde personen de centrale figuur spelen.


8. Als sommige kinderen erbij komen als het spel al begonnen is, laat ze niet aan de kant staan, betrek hen er onmiddellijk bij.


9. Als het spel mislukt, wees niet bang het te beëindigen en een ander te beginnen. Iedereen maakt fouten.


10. Als één of meerdere deelnemers storen en het spel vergallen voor de anderen, probeer er dan achter te komen waarom ze dit doen. Vinden ze het spel niet leuk? Hebben ze misschien problemen thuis? Tekort aan aandacht? Misschien kan je het spel aanpassen aan de behoeften van dat bepaald kind.


11. Je moet iedereen aanmoedigen om zich bij de spelen betrokken te voelen. Als een kind echter niet wil spelen, val het liet langer lastig of dwing het niet te spelen, moedig het aan te kijken en zo, van buiten uit, betrokken te raken bij het spel.


12.Tenslotte, en dit is heel belangrijk, de begeleid(st)ers moeten deelnemen aan de spelen!!! Vraag van de spelers geen dingen die je zelf niet zou doen. Kinderen doen graag gekke dingen en vinden het bijzonder leuk volwassenen gekke dingen te zien doen. Gooi alle remmingen van je af en geniet van de spelen, je zal het verschil in reactie van de kinderen en van jezelf zien en voelen!

(gelezen in “Door Spelen”, een speels antwoord op conflict, macht en geweld)