Kleding

Uit FOSwiki

De tekst op deze pagina is overgenomen uit de Techniekengids,
het handboek over buitenleven voor JVG's-Aspiranten, VG's-Juniors en Seniors.



Het eerste en het belangrijkste onderdeel van je uitrusting, is je kledij. Uiteraard ga je op een doordeweekse dag ook niet zonder kledij buiten. Maar als je op een stevige tocht gaat – ver uit de buurt van een verwarmd lokaal of een droogkast – denk je best goed na over de keuze van je kledij.

De juiste kleding helpt om je lichaam op de juiste temperatuur te houden. Bij koud weer zal ze je dus warm moeten houden, bij warm weer moet ze je lichaam de kans geven om overtollige warmte af te geven. Bij inspanning wil je lichaam meer warmte afgeven dan bij rust. Meestal doet het dit door middel van waterdamp, als dit niet voldoende is, door middel van vocht: zweet. Je kleding moet hier dus aan aangepast kunnen worden.

Om flexibel te zijn, draag je best verschillende laagjes, die je afzonderlijk kunt aan- en uittrekken. In de buitensport wordt dit het drielagensysteem$ genoemd, omdat je best drie lagen draagt met elk een eigen functie.

De onderlaag is de laag die je direct op de huid draagt. Deze laag moet in de eerste plaats goed 'ademen', om zweet te kunnen afvoeren. Anders krijg je al snel vochtig, plakkerig ondergoed. Hoewel katoen zeer populair is als dagelijks ondergoed, is het niet zo geschikt bij zwaardere inspanningen. Zeker bij kouder weer is katoen af te raden, omdat het veel vocht vasthoudt en die verdampende nattigheid ervoor zorgt dat je sterk afkoelt tijdens de rustpauzes. De snel drogende stoffen polyester en polypropyleen zijn veel geschikter, maar een niet kriebelende wolsoort kan ook.

De tussenlaag is de isolerende laag. Ook deze laag moet het vocht zo goed mogelijk doorgeven naar de bovenlaag of de buitenlucht. De tussenlaag kan uit meerdere kledingstukken bestaan, zodat je de dikte onderweg kunt aanpassen. Als deze lagen wat losser zitten, houden ze ook nog – isolerende – lucht vast. Afhankelijk van de inspanning of temperatuur, draag je dus een dikkere, een dunnere of zelfs geen tussenlaag. Deze laag kan bestaan uit een wollen trui, maar ook uit fleece, of – in extreem koude omstandigheden – uit dons.

De buitenlaag moet je lichaam beschermen tegen wind en regen. Toch moet ook deze laag ademen, anders word je toch nog nat van je eigen zweet. Waterdicht én ademend is een moeilijke – en vaak dure – combinatie. Daarom kun je er ook voor kiezen om iets waterafstotend te dragen dat beter ademt maar wel winddicht is, en iets écht waterdicht – zoals een poncho of een gewone regenjas en –broek – te bewaren voor zware buien.

Dit drielagensysteem geldt zowel voor je boven- als onderlichaam. Je benen kunnen echter wel meer koude verdragen dan je romp. Wandelen met blote benen onder een korte broek is bijvoorbeeld te verkiezen boven wandelen met een natte broek!

Vergeet ook je hoofd niet! Een breedgerande hoed houdt je hoofd en nek in de schaduw als de zon brandt, maar houdt je hoofd ook droog in de regen en voorkomt dat het te veel afkoelt in de wind. Een pet doet dit ook, maar beschermt je nek niet. Een muts heeft het voordeel dat je deze bij koud weer ook over je oren kunt trekken.

Voor de veiligheid draag je steeds een fluovest of bind je een reflecterende regenhoes op je rugzak. Dat weegt niets en maakt je extra zichtbaar voor andere weggebruikers.

TIP
Ben je op stap zonder regenjas of poncho terwijl het pijpenstelen regent? Maak dan vlug zelf een poncho met een vuilniszak. Snij langs de onderkant van de zak een gat in het midden (voor je hoofd) en aan de twee zijkanten (voor je armen). Trek de zak nu over je. Het ziet er misschien niet uit, maar je bent wel beter beschermd tegen de regen.