Teervoet

Uit FOSwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina is een onderdeel van de pagina Klasse- & Badgewerking.


Teervoetproeven

Wie is BP?

  • Heel beknopt de figuur van BP bespreken.

Wet en belofte

  • De wet en zijn betekenis kennen.
  • De betekenis van de belofte kennen en naleven.
  • Weten wat de kenspreuk en het kenteken van FOS Open Scouting betekenen.

Patrouilleleven

  • Troepssignalen kennen.
  • Stomme bevelen.
  • De scoutsgroet en zijn betekenis kennen.
  • De linkerhanddruk en zijn betekenis kennen.
  • Het organigram van de eenheid kennen en de namen van de leiding daarin kunnen plaatsen.
  • Het correcte uniform dragen en de betekenis van de kentekens weten.
  • Het patrouilledier kennen.
  • De verschillende raden kennen.
  • De verschillende functies in de patrouille kennen.

Kaart en kompas

  • Weten wat een stafkaart is.
  • De metrische schaal van een kaart kennen en kunnen gebruiken.
  • De kaartsymbolen kennen aan de hand van de legende.
  • De windroos kunnen tekenen met 8 windstreken en bijhorend aantal graden.
  • Een kaart kunnen oriënteren met een kompas.
  • Een stafkaart kunnen gebruiken langs een 'gewone' weg en 'merkpunten' kunnen aanduiden.

Natuur

  • De natuur niet bevuilen of beschadigen.
  • 5 planten en 8 boombladeren kunnen herkennen en er iets over vertellen.

Observatie

  • Spoortekens en hun betekenis kennen.
  • Zelfstandig een spoortocht van 2 km kunnen beëindigen.
  • Voorwerpenkim, waarbij 12 van de 20 voorwerpen onthouden worden.
  • Reukkim, waarbij 6 van de 10 reuken herkend worden.
  • Smaakkim, waarbij 6 van de 10 smaken herkend worden.

Schatten

  • Persoonlijke maten kennen.
  • Deze maten kunnen gebruiken om de afmetingen van een voorwerp te bepalen.
  • De afstand van je "persoonlijke" pas kennen en er een afstand in het veld en op de baan mee afmeten.

Telefoneren

  • Kunnen telefoneren naar een gekend persoon.
  • Kunnen telefoneren vanuit een telefooncel.
  • Een telefoonboek kunnen gebruiken.

Eerste hulp

  • Weten hoe te handelen bij een zwaar ongeval en de hulpnummers kennen.
  • Een bloeding kunnen stelpen.
  • Een draagdoek kunnen aanleggen.
  • Een eenvoudige wonde kunnen verzorgen, onder toezicht van een leid(st)er.

Bijl, mes, schop en zaag

  • Veiligheidspunten bij het gebruik van een bijl kennen.
  • Weten hoe een bijl gedragen wordt.
  • Eigenschappen en gebruik van een goed zakmes kennen.
  • Gebruik van een schop kennen.
  • Gebruik van een zaag kennen.

Knopen en sjorringen

  • Kennen en kunnen gebruiken van volgende knopen:
    • Platte knoop
    • Achtsteek
    • Schootsteek
    • Mastworp
    • Timmermanssteek
  • Een kruissjorring kunnen maken.
  • Een touw van 10 m kunnen oprollen.

Vuren

  • Weten waar een open vuur mag aangelegd worden en de veiligheidsmaatregelen kennen.
  • Een voorraad brandhout aanleggen, voldoende voor twee maaltijden.
  • Weten hoe een vuur moet gedoofd worden.

Koken

  • Koffie en thee kunnen zetten.
  • Eieren kunnen koken en bakken op een (hout)vuur.

Tent

  • Piketten en haringen op de juiste wijze kunnen inslaan.
  • Een dag instaan voor de netheid van de tent, alsook voor het lossen en aanspannen van de spantouwen.
  • Weten hoe en wanneer muurtjes en deuren van een tent opgerold moeten worden.
  • Zorg dragen voor het tentmateriaal.

Rugzak

  • Een rugzak voor een dagtocht behoorlijk kunnen inpakken.
  • Draagriemen correct kunnen aanpassen.
  • Één uur wandelen met een rugzak.

Sport

  • 40 punten op de vijfkamp behalen.
  • Over een apenbrug wandelen.

Expressie

  • Deelnemen aan manuele expressie.
  • Deelnemen aan verbale expressie.
  • Deelnemen aan een mimespel.
  • Meedansen met twee volksdansen.
  • 6 scoutsliederen kunnen meezingen.