Teervoetboekje:kaart

Uit FOSwiki



7. Waar zijn we?

Kaart

Een kaart is een horizontale projectie op schaal van een bepaald gebied. Het is een vereenvoudigde en geschematiseerde weergave van het gebied waarop landschapskenmerken zoals rivieren, bossen, weilanden, reliëf, wegen en huizen met behulp van typische tekens zijn aangegeven. De gebruikte tekens worden steeds in de legende verklaart.

De schaal

De wandelkaarten die in de scouts gebruikt worden, hebben een schaal van 1/20 000. Andere, vaak gebruikte, schalen zijn 1/10 000, 1/25 000 en 1/ 50 000. Voor je een kaart begint te gebruiken controleer je best de schaal waarop de kaart gemaakt is.

De kaarten met schalen 1/10 000, 1/20 000 en 1/25 000 zijn heel gedetailleerde kaarten waarop vrijwel alles dat je in het landschap ziet ook terug te vinden is op de kaart. Wanneer je zo een kaart goed gebruikt bij tochten zal je de weg steeds gemakkelijk vinden.

De schaal van de kaarten wordt altijd op twee manieren weergegeven: een metrische schaal (vb 1/20 000) en een grafische schaal.

Metrische schaal

De metrische schaal (ook wel numerieke schaal genoemd) geeft de verhouding weer tussen de afmetingen op de kaart en de werkelijke afstanden op het terrein. Bijvoorbeeld schaal 1/20 000: dit wil zeggen dat 1 cm op de kaart overeen komt met 20 000 cm of 200 m in werkelijkheid. Elke afmeting van het terrein wordt dus op de kaart 20.000 maal kleiner weergegeven! Of omgekeerd, dat elke eenheid op de kaart in werkelijkheid 20.000 maal groter is.

Het spreekt vanzelf dat je om gemakkelijk te rekenen, de afstanden omzet in kilometer. Dit is immers de eenheid die je meest gebruikt voor de trektocht.

Enkele voorbeelden:

  • Op de kaart met schaal 1/10 000 Is 10 cm op de kaart = 1 km op terrein.
  • Op de kaart met schaal 1/20 000 is 5 cm op de kaart = 1 km op terrein.
  • Op de kaart met schaal 1/25 000 is 4 cm op de kaart = 1 km op terrein.
  • Op de kaart met schaal 1/50 000 Is 2 cm op de kaart = 1 km op terrein.
  • Op de kaart met schaal 1/100 000 is 1 cm op de kaart = 1 km op terrein.

Praktisch doe je het zo: om de waarde van 1 cm op de kaart, uitgedrukt in meter op het terrein te bekomen, neem je 2 nullen af van de noemer van de schaal.

Dus:

  • schaal 1/50 000, 1 cm = 500 m
  • schaal 1/20 000, 1 cm = 200 m

Omzetten in km is dan een klein kunstje. 1 km is 2 cm op een kaart van 1/50 000, en 5 cm op een kaart van 1/20 000.

Grafische schaal

Met de grafische schaal kan je gemakkelijk een afstand op kaart omzetten in de werkelijke afstand, zonder dat je moet rekenen. Met een touwtje pas je de te meten weg op de kaart af, dit touwtje leg je dan op de grafische schaal en je kan direct de werkelijke afstand aflezen. (figuur) Met je persoonlijke maten kan je nu het aantal marspassen bepalen van het vertrekpunt tot aan een bepaald punt op de af te leggen weg. Dit kan handig zijn om te weten wanneer je bijvoorbeeld van het pad moet afslaan.


Het reliëf

Hoogteverschillen zijn op de vlakke kaart weergegeven met hoogtelijnen. Alle punten op één hoogtelijn liggen op de zelfde hoogte. Het zijn meestal bruine, doorlopende lijnen. Soms staat er een hoogte bij de lijn vermeld. Bij sommige bergtoppen staat de hoogte van de top ook aangeduid. Het verschil tussen twee hoogtelijnen is altijd weergegeven in de legende van de kaart.

Uit de hoogtelijnen op de kaart kan je afleiden hoe de helling er in het echt uit ziet. Wanneer de hoogtelijnen dicht bij elkaar staan, dan is het een steile helling. Staan ze verder van elkaar, dan is de helling minder stijl.

Het is niet altijd even gemakkelijk om uit te zoeken als je gaat stijgen of dalen. Hiervoor kan je natuurlijk ook gebruik maken van andere elementen op de kaart:

  • bronnetjes waaruit een beekje vertrekt
  • beekjes lopen altijd in het diepste punt van de helling
  • grote rivieren vormen meestal het diepste punt van de omgeving
  • dorpen liggen vaak (niet altijd!) in dalen

Soms is de helling te steil en kunnen de hoogtelijnen niet getekend worden, dan komen ze samen in één dikke hoogtelijn. Bij rotspartijen worden geen hoogtelijnen aangeduid, het is er vaak ook te stijl. De hoogtelijnen kunnen je iets vertellen over de vorm van de helling, dat kan handig zijn wanneer je probeert om je te oriënteren op de kaart.

Het vierkantennet

Op een kaart staan horizontale en verticale lijnen die samen vierkantjes vormen. De lijnen zijn aan de rand van de kaart genummerd. Elk kruispunt tussen de lijnen kan dus bepaald worden aan de hand van 2 nummers.

Eerst dat van de verticale lijn gevolgd door het nummer van de horizontale lijn.

bv: 29 /15 (zie figuur). Bij een kruispunt hoort telkens het rechter boven hokje.

Elk vierkantje is in werkelijkheid een vierkant van 1 km op 1 km (op een kaart van 1:25 000 is dat dus een vierkantje van 4 cm op 4 cm).

Je punt zoeken op een oppervlakte van 1 km² is echter niet in een wipje gedaan, we moeten dus nog wat fijner gaan.


Coördinaten

Elk vierkantje wordt nog eens verdeeld door een rooster van 100 op 100 hokjes. Nu hebben we nog een oppervlakte van 10m² (op de kaart slechts een punt) wat al véél gemakkelijker is.

Coördinaat opzoeken

Om één van deze hokjes te bepalen gebruiken we coördinaten. Een coördinaat bestaat uit vier getallen bv: 29 50 / 15 06. Hoe gaan we nu tewerk om zoiets te ontcijferen?

  • De vette getallen (29 en 15) bepalen het grote vierkant (zie boven).
  • De getallen 50 en 06 bepalen het punt in het grote vierkant.

Je begint met het grote vierkant te zoeken:

  • Zoek het eerste getal (29) en de bijhorende verticale lijn onder of bovenaan de kaart.
  • Zoek nu het tweede getal (15) en de bijhorende horizontale lijn links of rechts van de kaart.
  • Het hokje rechtsboven het kruispunt van de 2 lijnen is wat je moet hebben.

Nu nog het punt in dat hokje:


Coördinaat Opzoeken 2

  • Je legt het hoekje van de roomer op het kruispunt en zorgt ervoor dat hij goed ligt (bovenkant boven).
  • Je schuift de roomer naar rechts tot de verticale lijn bij 50 ligt.
  • Nu schuif je de roomer naar boven tot de horizontale lijn op 06 ligt.
  • Het hoekje van de roomer duidt nu het coördinaat aan.

Een roomer is een rechte hoek waarvan de benen elk in 100sten zijn verdeeld.


Windroos

De hoofdwindstreken

Windroos 4 Windstreken

Noord, Oost, Zuid en West zijn de hoofdwindstreken. Tussen deze windstreken is er telkens een hoek van 90°. het noorden staat op 0° of 360° (helemaal rond) het oosten staat op 90° (0° + 90°) het zuiden staat op 180° (90° + 90°) het westen staat op 270° (180°+ 90°) Tussenwindstreken


Windroos 8 Windstreken

De tussenwindstreken: Noord-Oost(NO), Zuid-Oost(ZO), Zuid-West(ZW) en Noord-West(NW). Voor de naamgeving gebruik je telkens eerst de belangrijkste windstreek, gevolgd door de andere windstreek. Ze staan in het midden tussen 2 hoofdwindstreken. Noord-Oost staat op 45° (0° + 45°) Zuid-Oost staat op 135° (90° + 45°) Zuid-West staat op 225° (180° + 45°) Noord-West staat op 315° (270° + 45°) Tussen-tussenwindstreken


Windroos 16 Windstreken

Dit wordt iets moeilijker. Deze windstreken staat tussen de hoofdwindstreken en de tussenwindstreken. Voor de naamgeving gebruik dezelfde regel als voor de tussenwindstreken. De eerste tussen-tussenwindstreek staat tussen Noord en Noord-Oost, de belangrijkste is Noord(N) en die komt dus eerst gevolgd door de tussenwindstreek Noord-Oost(NO) en we krijgen Noord-Noord-Oost(NNO). De volgende staat tussen NO en O, maar de belangrijkste komt eerst dus we krijgen ONO. De volgende tussen-tussenwindstreken zijn: OZO, ZZO, ZZW, WZW, WNW en NNW. Doordat ze telkens in het midden van een hoek van 45° staan is de hoek die ze maken met de hoofdwindstreken 22,5°. NNE staat op 22,5° ONO staat op 67,5° (45° + 22,5°) OZO staat op 112,5° (90° + 22,5°) ZZO staat op 157,5° (135° + 22,5°) ZZW staat op 202,5° (180° + 22,5°) WZW staat op 247,5° (225° + 22,5°) WNW staat op 292,5° (270° + 22,5°) NNW staat op 337,5° (315° + 22,5°)


Terug naar de inhoudsopgave van het Zakboekje Teervoet