Sander

Uit FOSwiki




06 boy.png
07 girl.png
Sander

Auteur: De Spelmaker (een samenwerkingsverband van Arkos, ATD Vierde Wereld, BMLIK, Centrum Kauwenberg, Chirojeugd Vlaanderen, Jeugd en Gezondheid, KJR, KLJ, KSJ-KSA-VKSJ, VVKSM en Welzijnszorg)
Tak(ken): Bevers-Zeehonden en Welpen


Wanneer.png

Duur van het spel: 2 à 3 uur

Waar.png

Terrein: Buiten of binnen (in een grote zaal)

Wie.png

Aantal leden: minimum 6, maximum 30
Groepen: /
Aantal begeleiders: 1, liefst 2
Taakomschrijving van de begeleiders: Vertellen en het spel begeleiden


Wat.png

Thema: Armoede en sociale uitsluiting


Spelverloop:


Spelvoorbereiding: Verdelen van de spelkaartjes
In de speldoos vind je 150 spelkaartjes, 5 sets van elk 30 spelkaartjes. Elk setje heeft een kleur en hoort bij een verhaal. Leg voor elke speler een spelkaartje van elke reeks klaar. Het is wel belangrijk dat een kaartje dat de speler uitsluit tijdens het spel, niet steeds bij dezelfde speler terecht komt. Als er spelkaartjes over zijn dan geef je die op het einde van elke reeks zodat de spelers de puzzel kunnen maken.

Spelverloop: De begeleid(st)er vertelt het eerste verhaal. De kinderen nemen het spelkaartje dat bij het verhaal hoort. De hele groep doet de opdracht. De groene spelkaartjes worden samengelegd, omgedraaid en de kinderen maken de puzzel.
De begeleid(st)er vertelt het tweede verhaal. Na het verhaal nemen de kinderen het spelkaartje dat bij het verhaal hoort (het gele kaartje). Maar niet iedereen heeft hetzelfde figuurtje op het gele spelkaartje staan! Sommige kinderen herkennen Sander op hun kaartje, de meeste kinderen hebben Bart op hun kaartje. De kinderen die Sander op hun kaartje hebben worden uitgesloten. Ze zijn nieuw in de groep, net als Sander. De begeleid(st)er trekt een binnenband van een fiets over hen. Daarmee laat je duidelijk zien dat dit een apart groepje is. Vooraleer verder te gaan met het spel vraagt de spelleider aan de rest van de kinderen of zij het spel met de hele groep wil spelen. Als de kinderen voor de hele groep kiezen, moeten zij eerst een mee-speelopdracht doen, Het is wel belangrijk dat alleen de groep die mag meespelen (alle kinderen met Bart op het spelkaartje) deze opdracht uitvoert. De uitgesloten kinderen kijken toe. Lukt de mee-speelopdracht, dan kunnen de uitgesloten kinderen meespelen met de spelopdracht. Lukt de mee-speelopdracht niet dan blijven ze uitgesloten en opgesloten in de binnenband. De anderen doen de spelopdracht zonder hen. Na de spelopdracht leggen de kinderen hun gele spelkaartjes samen voor de puzzel. Als de mee-speelopdracht gelukt is, gebruiken de kinderen voor de puzzel de spelkaartjes van de hele groep. Als de meespeelopdracht mislukt is, dan worden de spelkaartjes van de uitgesloten kinderen niet bij de puzzel gevoegd. De puzzel is dan onvolledig, omdat niet iedereen kon mee-spelen. Hetzelfde doen we met het derde, vierde en vijfde verhaal. EINDE VAN HET SPEL: als alle verhalen zijn verteld, alle spelkaartjes zijn gebruikt, alle puzzels zijn gemaakt.
Nabespreking: Enkele richtvragen:

  • Waar gaat het spel over?
  • Waarom is de puzzel (on)volledig?
  • Hoe voelde het om niet te mogen meespelen?
Materiaal:


  • grote rol papier
  • tekenmateriaal
  • enkele scharen
  • stoepkrijt
  • 1 binnenband van een fiets
  • oude kranten
  • 1 fietspomp
  • 1 fiets
  • enkele sjaaltjes
  • 1 bal
  • materiaal voor een hindernissenparcours: stoelen, tafels, emmers, jutezakken, ...
  • 5 stukken karton A3 formaat (waar de kinderen de puzzel op kunnen leggen)
Waarom.png

Doelstelling van het spel: Alle opdrachten uitvoeren
Inhoudelijke doelstelling van het spel: Ervaren dat iedereen kan en mag mee-spelen (solidariteit)